Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
Opposite to.
With.
Tegenover.
Met.
Next. 1 Naast, volgend, eerstkomend
Of, from, by. Van.
In consequence. Ten gevolge.
Between. Tusschen.
Instead of. In plaats, in stede van.
On this side. Dezerzijds.
On the other side of. Aan gene zijde van.
During. Terwijl, gedurende.
Rain. De regen.
Snow. De sneeuw.
Hail. De hagel.
Frost. De vorst.
East. Oost.
South. Zuid.
West. West.
North. Noord.
Dryness, De droogte.
Sand. Zand.
A mountain. Een berg.
A great river. Een stroom.
A river. Eene rivier.
The bank. De oever, dam, dijk.
A lake. Een meer.
The land. Het land.
The ocean. De oceaan.
The Mediterranean. j De Middellandsche zee.
The Adriatic. j Do Adriatische zee.
The Baltic. i De Oostzee.
The North-Sea. De Noordzee,
The Channel. Ket Kanaal.
The open sea. De opene zee, het ruime sop.