Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
Thither.
That way.
Whence.
Together.
There.
Home.
At home.
Daarheen.
Ginder, ginds.
! Vanwaar.
! Te zamen, bij elkander,
j Daar.
I Naar huis.
; Te huis.
Here. Hier.
Somewhere. ; Ergens.
Nowhere. 1 Nergens,
Truly. 1 Waarlijk.
Hardly. j Bezwaarlijk, moeijelijk.
Surely. 1 Zekerlijk.
In vain. Vergeefs.
Quickly. ' Spoedig.
Directly. ' Dadelijk.
Willingly. 1 Gaarne.
Well. ; Wel (goed).
Even. ; Ook, zelfs.
Nearly. , Bijna, schier.
Scarcely. j Naauwelijks.
Only. Slechts.
Yet. 1 Doch, echter, evenwel.
Of coursc. ; Trouwens, natuurlijk.
Indeed. : Inderdaad.
Yes. Ja.
No. Neen.
Not. Niet.
From, out of. 1 Uit.
Without. Zonder.
Through. Door.