Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
tallen benaderd als twee getallen, die 2 tot gemeenen deeler
hebben en waarvan het eerste het tweede bevat.
De getallen, die de waarde dezer diersoorten in duizend-
tallen uitdrukken, hebben tot gemeenen deeler 2. Druk-
ken wij de verhouding dezer waarden zoo eenvoudig mogelijk
uit, en nemen wij de verhoudingsgetallen voor de getallen
zelve, dan vinden wij, dat de waarde van een rund/'
en van een kalf/6^\^ is. Indien nu bij de berekening
50 runderen verwaarloosd en van deze dieren er 64650
meer veraccijnsd zijn dan van kalveren, wenscht men bere-
kend te zien van hoeveel runderen, kalveren en duizenden
guldens hier sprake is.
213. Een kilo ruw ijzer stellen wij in prijs op 5 cents.
Door verschillende scheikundige behandelingen maakt men
van dat ijzer staal, en van dat staal de horologieveer,
welker gemiddelden prijs wij op vijf gulden stellen. Zoo
nu tegen dien prijs ] 6000000 maal de oorspronkelijke
waarde van de grondstof wordt teruggekregen, vraagt
men hoe zwaar zulk een veer is en wat zijne afmetingen
zijn, zoo lengte, breedte en dikte tot elkander staan, als:
900 : 10 : 1.
214. Men kan elk geheel getal voorstellen door 10 as + b,
waarin h de eenheden zijn en a het overige des getais
voorstelt. Zoo nu 10 ain het Stallig stelsel door 5,
7 en 15 deelbaar is, welke waarde moet dan n hebben
zoo ook a + nb door die getallen kan gedeeld worden?
215. Door een platonisch jaar verstaat men het tijdvak,
dat er verloopt tusschen het tweemaal samenvallen van de
einden van het sterre- en zonnejaar. Indien nu het eerste
een duur heeft van 365<' 6™ 10.75sec en het tweede van
365^ 5" 48™ 518«", vraagt men naar de lengte van het
platonisch jaar.
2] 6. In 46 v. C. regelde Julius Caesar met behulp
van den sterrekundige, Sosigenes, de tijdrekening. Als nu