Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
1871 zoo, dat, indien er 15000 kilo's rijst (en paddie) en
188000 kilo's suiker minder waren uitgevoerd, de verhou-
ding van het gewicht der genoemde artikelen zoude geweest
zijn 1, 27 en 459. Zoo er 32000 kilo's rijst (en paddie)
en 611000 kilo's suiker meer uitgevoerd ware, dan zou
de verhouding geweest zijn 1 en 28 voor de beide eerste
en 1 en 17 voor de beide laatste. Bepaal hoeveel de uit-
voer der bedoelde artikelen bedroeg.
128. De voornaamste havenstad van Hawaï is Honolou-
lou, in welks haven in 1870 binnenvielen 151 schepen.
De schepen waren van Duitschen, inlandschen, Engelschen
en Noord-Amerikaanschen oorsprong en in deze orde meer
in aantal. Ware er 1 inlandsch schip meer binnengeloopen,
dan zouden de verschillen hunner aantallen de termen eener
meetk. reeks hebben uitgemaakt, welker product 4096 is.
Zoo van deze reeks de eerste term en de reden gelijk zijn,
vraagt men het aantal van elk der schepen.
129. Herleid de onzuiver repeteerende Sdeelige breuk
0.23450J tot een gewone.
130. Hoe brengt ge de bovengenoemde breuk over in
het lOtallig stelsel?
131. Herleid tot een 4deelige breuk de decimale breuk 04^.
132. Zoekt men het kleinste gemeene veelvoud van de
getallen, die het aantal fabrieken en weefstoelen tc Elberfeld
aangeven, dan vindt men daarvoor 78000. De grootste
gemeene deeler dier getallen is 80. Bepaal hieruit het aantal
fabrieken (meer dan 1000) en weefstoelen.
133. Het aantal suikerplantaadjes op Cuba wordt aange-
wezen door een getal van 4 cijfers. Verdeelt men het getal
in vakjes van 2 cijfers, dan is dat der honderdtallen het
5"!« deel van dat der eenheden en tientallen. Deelt men het
eerstgenoemde vakje door het IS"!« deel van de waarde van
het andere, dan is het quotiënt 2 en de rest 3. Men
vraagt het aantal suikerplantaadjes.