Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
eenheden, die bij dat getal behooren, hebben den ge-
nieenschappelijken deeler 7. Deel ik die door dat getal,
dan wordt het geheele jaartal door l^fy gedeeld. Wat is
het bedoelde jaartal
114. De hoogste bergtoppen in het Ardennerwoud zijn
ly^^ maal zoo hoog als de gemiddelde hoogte van dat ge-
bergte. Ware die gemiddelde hoogte 50 M. minder en de
hoogste top 300 M. meer, dan zou de gemiddelde hoogte de
helft daarvan bedragen. Men vraagt naar de bedoelde hoogten.
115. De Ardennen leveren onder anderen op zilver,
koper, lood, zink, bruinsteen, steenkool. De grootste rijk-
dom echter bestaat in bout en ijzer. In de ijzermijnen werken
een zoodanig aantal menschen, dat, hadde elk lOtal een
dozijn bedragen of waren er op elk lOOOtal 2 minder ge-
weest, dit een verschil zou gegeven hebben van 3960
personen. Hoe groot is het bedoelde aantal mijnwerkers?
116. De 111 of Alsace, eene rivier in den Elzas. brengt
een betrekkelijk groot aantal fabrieken in beweging. Ware
de rivier mijl korter en het aantal fabriekeii 6 minder;
of de rivier ^ mijl langer en het aantal fabrieken 4 minder,
dan zouden in beide gevallen de fabrieken gemiddeld op
mijl afstand van elkander gevonden worden. Is hieruit
de lengte der 111 en het aantal fabrieken te bepalen?
117. Wanneer in het vorige vraagstuk in plaats van
de laatste voorwaarde, gesteld ware, dat de gemiddelde
afstanden der fabrieken mijl bedragen, vraagt men of
dan de lengte der 111 en het aantal fabrieken gegeven kan
worden.
118. Op de Zwitsersche Alpen zijn de grenzen van de
hoogten, waarop 1°. de wijnstok, 2». de kastanjeboom,
3°. de kersenboom, 4°. de granen en de eikenboom, en
5°. de beukenboom ophoudt te groeien, zoodanig, dat zij
samen 14500 voeten uitmaken. De grenzen klimmen met
III. 2