Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
66. De invoerrechten in 1872 van .Jokohaina en die der
5 andere door Japan voor den wereldhandel opengestelde
havens samen, bedragen 1820181 dollars. Als men die van
Jokohama met 481 vermindert, kunnen de beide bedoelde
getallen door 10gedeeld worden en de quotiënten zijn
dan zoodanig, dat, zoo men het eerste met 27 vermindert
en het andere met 45 vermeerdert, de komende getallen
gelijk zijn. Men vraagt naar de invoerrechten van Jokohama
en der 5 overige havens.
67. Het aantal gemeenten, dat in Italië in 1870 nog
geheel zonder eenige lagere school was, is een getal, dat
als het gesplitst wordt in honderden en eenen, deze een
verschil opleveren van 7154. Verwisselt men de vakjes,
dan is het verschil 2626 minder. Van hoeveel gemeenten
is hier sprake?
68. Het aantal in Italië (in 1870) bestaande lagere
scholen is een getal, dat 3 enkelvoudige dcelers heeft. Een
der deelers is gelijk aan het 455te onevengetal; terwijl de
beide andere samen 48 bedragen. Indien de som der enkel-
voudige en samengestelde deelers (de eenheid en het getal
zelf niet medegerekend) 37746 is, vraagt men naar het
aantal scholen.
69. De scholen in Italië werden in 1872(73 bezocht
door 1723000 leerlingen. Ware het aantal jongens 510
en dat der meisjes 490 minder geweest, dan zon het aantal
der eersten l-rW groot zijn geweest als dat der
laatsten. Hoe groot was elk getal?
70. Deze kinderen (opgave 69) werden onderwezen door
een aantal onderwijzers en onderwijzeressen, welker som
in het 12tallig stelsel wordt uitgedrukt door 21166. Het
verschil van beider aantal verhoudt zich tot het laatste
bedoelde aantal als 1000 : 6737. Hoeveel onderwijzers en
onderwijzeressen worden er bedoeld?