Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
/
meer zijn geweest. Indien het verschil der bedoelde deelcrs
8 is, vraagt uien naar het getal.
33. De percenten, die uitdrukken, welk gedeelte der
vrouwen , mannen en, buiten den burgerlijken kring, die der
militairen in Frankrijk in 1867 niet konden lezen, zijn zoo-
danig, dat het gemiddelde der beide eerstgenoemden 32.9,
dat der beide laatstgenoemden 23.8 en het gemiddelde van alle
drie 28^ is. Welk percent der vrouwen, mannen en der
militairen kon in Êraiikrijk destijds noch lezen noch
schrijven ?
34. In het Schwartswald werden in 1873 vervaardigd
1800000 uurwerken, waarvan de beste soort gemiddeld
3maal meer waarde had dan het gemiddelde der andere soorten.
Zij vertegenwoordigden een waarde van 24000000. Ver-
wisselt men de prijzen der beide gemiddelde soorten, dan zou
men kunnen zeggen , dat de gemiddelde waarde 2{ maal die
der minste soort bedroeg. Men vraagt naar den prijs en
de hoeveelheid uurwerken van beide soorten.
35. Waren er (zie vorige opgave) 49 uurwerkfabrikanteri
minder geweest, dan zouden gemiddeld op elke gemeente,
waar men zich bezig houdt met dien tak van industrie,
] 5 fabrikanten gevonden worden. De fabrikanten hebben
helpers. Waren er 381 helpers m.inder, dan zouden er
gemiddeld op eiken fabrikant 5 helpers komen; of zoo er
74 minder waren, 81 op elk der genoemde gemeenten.
Bepaal hieruit het bedoelde aantal gemeenten, fabrikanten
en helpers.
36. Zij gegeven 7 en 13. Om van deze beide getallen
een veelvoud te hebben, dat 1 meer is dan een lOvoud,
moet men het eerste 3- en het tweede 7maal nemen. Om
van deze getallen veelvouden tc verkrijgen, die met een
9 beginnen of 1 minder zijn dan een lOvoud, moet men
het eerste getal met 10 — 3 en het tweede met 10—7 ver-
menigvuldigen. Waarom is dat zoo?