Boekgegevens
Titel: Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Deel: Derde 250-tal
Auteur: Donck, J.J.C.
Uitgave: Haarlem: de erven Loosjes, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3378
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200532
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenkunstige vraagstukken en oefeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18. Kan, indien gegeven is, dat 20 regelmatig achter
elkander rollende golven in 5i minuut het schip, bedoeld
in de beide vorige vraagstukken, bereikten, met behulp
van het daar gegevene, ook bepaald worden, wat de ge-
middelde afstand bedroeg der toen waargenomen golven ?
19. Kapitein Cleveland zag den 28" Juni 1841 een
ijsberg van p. m. 90 M. hoog, terwijl zijn bovenvlak 12
bunder bedroeg. Zoo nu het ijs een specifiek gewicht heeft
van 0.916 en het zeewater in gewicht eens gelijk wordt
gesteld met zuiver water, vraagt men of ten naastenbij de
grootte van den ijsberg te bepalen is?
20. üe Heuss stort van den St. Gotliard in het Ursem-
dal, van daar in het Krachendal en van hier weder naar
beneden tot Amsteg. Als men de beide laatste hoogten
(in voeten gedacht) in genoemde orde met 74 en 46 ver-
meerdert, dan staan de bedoelde hoogten lot elkander als
3 getallen, waarvan de beide eerste een product geven van
270, de beide laatste van 180 en de eerste en de laatste
van 150. Als de Heuss en het geheel daar ter plaatse
een verval heeft van 4420 voet, vraagt men naar de be-
doelde hoogten.
21. In de nabijheid van het Brienzermeer ziet men den
Giessbach in 7 verschillende watervallen naar beneden
storten ter hoogte van 1120 voeten. Indien wij aannemen,
dat zij telkens loodrecht naar beneden valt, en bij het einde
van haren val ook 1120 voeten verwijderd is van de
plaats, welke loodrecht onder het punt van begin ligt,
wenscht men te weten, hoe lang de weg is, dien de Giess-
bach aflegt. Men neemt aan dat de terrassen even hoog zijn.
22. Wat zal men vinden voor den weg, bedoeld in het
vorige vraagstuk, als men aanneemt, dat de onderschei-
dene hoogten tot elkander staan als 40, 60, 80, 200
en 215.