Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. & G.H. Meijer, 1884
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3119
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200477
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
De zaadliuid is de eigenlijke bedekkii)g vau deu zaadkorrel.
De kern bestaat uit het hienmit eu de kiem.
Het kiemwit strekt tot voedsel voor het jonge plautje. Het is melig,
zooals bij de Granen; vleezig, als bij het Viooltjer olieachtig, als bij
de Maankop.
Eenige j)lanten hebben geen kiemwit.
De kiem bestaat uit liet worteltje, het pluimpje en de zaadlobben.
Het worteltje is datgene, hetwelk bij de ontkieming nederwaarts als
■wortel en opwaarts als stengel uitgroeit.
Het pluimpje is de eerste aanvang der stengelbladen.
Zaadlobben ziju min of meer vleezige lichamen, die het pluimpje om-
filniten en, evenals het kiemwit, tot voeding vau het jonge plantje dienen.
Men onderscheidt de planten ten opzichte der zaadlobben in drie
gi'oobe afdeelingen:
1. Planten, die zonder zaadlobben ontkiemen. Hiertoe behooren de
Paddenstoelen, Mossen, Wiereu. (Plaat LHI.)
2. Planten, kiemende met één zaadlob, eevlohbigë genoemd. Hiertoe
behooren: de Grassen, Leliën, Tulpen, Palmen. Zij hebben in het
algemeen lintvormige bladereu met gave randen, eu in de deelen van
hare bloem is het getal drie of een veelvoud daarvau op te merken.
(Plaat XLVHI tot LH.)
3. Planten, kiemende met twee of meer zaadlobbeu, ticeelobhige
genoemd. Hiertoe behooren de meeste gewassen. Zij onderscheiden
zich in het algemeen door ronde, netvormige, geaderde bladeren. In de
deelen van hare bloem is het getal vijf eu zijne veelvouden op te merken.
Men onderscheidt de planten ten opzichte van den stengel in Kruiden,
Heesters en Boomen.
Kruiden ziju zulke gewassen, die een meer »sappigen dan houtachtigen
stengel hebben.
Tot de kruiden, die ons tot voedsel verstrekken, rekent men:
de Peulvruchten: erwten, boonen, linzen.
de Wortelgewassen: witte, gele en ronde rapen, ramenas, peterselie,
selderij, cichorei.
de Koolgewassen: savoye- en boerenkool, koolra[)en, spruitkool,
bloemkool.