Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. & G.H. Meijer, 1884
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3119
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200477
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
GELEDE DI"^REN. ) j
Plaat XXXIV (Dierenrijk
Gelede dieren hebben geen inwendig geraamte. Hun lichaam ia
in ringen verdeeld, en de pezen zijn inwendig aan deze ringen vast-
gehecht. De kaken zijn bij de gelede dieren naast elkander gelegen
en werken als eeae s^Iiaar of nijptang. Bij de meeste gelede dieren
zijn oogen aanwezig.
.De gelede dieren worden onderscheiden in 5 Klassen: Gekor^
vene dieren of Insecten, Spinachtige dieren. Schaaldieren, Wormen en
Rader diertjes.
KLASSE DKU GËKORVENE DIEREN OF INSECTEN.
Plaat XXXVIII (Dierenrijk.)
Insecten hebben een lichaam, dat uit ringen bestaat, en pooten, die
uit geledingen zijn samengesteld.
Men onderscheidt aan het lichaam der insecten drie deelen: den kop,
het borststuk en het achterlijf.
De kop draagt gewoonlijk voelsprieten, oogen en kautowerktuigen.
Aan bet borststuk zijn pooten en dikwijls vleugels gehecht.
Het achterlijf draagt soms bijpooten.
De voelsprieten zijn draden, die ter zijde van den kop eu dicht bij
de oogen liggen. Zij ziju twee in getal en dienen tot een fijn voelen
en tot bescherming der oogen.
De oogen zijn enkelvoudig of samengesteld.
De enkelvoudige oogen liggen als punteu vooraan op den kop.
Zij ziju doorgaans drie in getal. Sommige insecten hebben geene
enkelvoudige oogen, zooals de Dagvlinders en de meeste Kevers.
De samengestelde oogen zijn onbeweeglijk aan weerszijden van den kop
geplaatst en in soms duizenden zeshoekige vakjes verdeeld. De insecten
hebben twee samengestelde oogen.
De kauwwerktuigen der insecten zijn naast elkander gelegen eu van
binnen van scherpe punten als tanden voorzien. De insecten, welke
zich met vloeibare spijzen voeden, hebben, in plaats van kaken, zuigers
of slurpen.
De pooten der insecten zijn gewoonlijk zes in getal. Eenige, zooal»
de Duizendpoot, hebben aan alle ringen van het lichaam pooten.
2