Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. & G.H. Meijer, 1884
8e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3119
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200477
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Plaat XX (Dierenrijk.)
KUmvoyels zijn vogels, die zich door hunne vaardigheid in het be-
klii^men der booiuen onderscheiden. Aan hunne pooten staan twee
vingers naar voren en twee naar achteren. De meeste klimvogels
worden alleen in warme landen gevonden.
Tot de klimvogels behooren: de Papegaai, de Koekoek, de Specht.
Plaat XIX (Dierenrijk.)
Zangvogels drageu dien naam, omdat onder hen de zingende vogcU
worden aangetroflén. Zij zijn doorgaans klein, hunne vleugels zijn tot
lange en hooge vlucht geschikt, maar hunne pooten zwak en duu.
De zangvogels bouwen de kunstigste nesten.
Tot de zangvogels behooren: de Zwaluw, de Boomkruiper, dc Kolibrie,
de Hop, de Nachtegaal, de Lijster, dc Jjeeuwerik, de Koolmees, d«
Vink, dc Kruisvink, dc ÏJsvogel, dc Neushorenvogel, de Raaf, de Para-
dijsvogel.
Plaat XVHI (Dierenrijk.)
Roofvogels hebben een sterken, omgebogen bek en snaveL Hunn«
pooten hebben vier vingers, waarvan een naar achteren gericht is.
Zij kunnen zich hoog in de lucht verheffen eu hebben inzonderheid
een scherp gezicht. Zij voeden zich met gewervelde dieren. Men
onderscheidt de roofvogels in Nacht- en Bagroofvogels.
'L'ot de nachtroofvogels behooren : de Katuil, de Velduil, de Ransuil.
■ Tot de dagroofvogels behooren: de Valk, de Arend, de Secretaris,
de Sperwer, de Havik, de Gier,
De vogels blijven niet alle altijd op dezelfde plaats. Zij wordeu
als zoodanig onderscheiden in Standvogels, Zwerfvogels en Trekvogel».
Standvogels blijven voortdurend dezelfde streek bewonen, zooals bij
ons de Müsch en de Ekster.
Zwerfvogels trekken slechts heen en weer, en verwijderen zich niet
ver van de plaats, waar zij genesteld hebben, bijv.; de Specht.
'trekvogels gaan op bepaalde tijden gewoonlijk in groote troepen naar
waimcr gewesten en komen tegen den zomer terug, bijv.: de Ooievaai',
de Zvvalnw, de Koekoek.