Boekgegevens
Titel: Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1881
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3028
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200462
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Ontleding (taalkunde), Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
blindelings — "Wij doen zus — Ojj doet zoo — De storm woedde
hevig — De roos verwelkt ras — "Werk onvermoeid— Speelt lus-
tig — Gij schreeft slecht — Zij hebben rusteloos gewerkt — Ik eet
gaarne — Zij spraken te gelijk — Wij komen samen — De man heeft
tevergeefs gesmeekt —Kom herwaarts — Ga daarheen — Zij gin-
gen huiswaarts — De weg ging bergop bergaf — De soldaten plun-
derden wijd en zijd — Zij roofden overal — Ik leer nu — Straks speel
ik — Gij speelt altijd — De kinderen leeren zelden — De luie voer-
man kwam te laat — Menigeen is te- vroeg gekomen — Die man
studeert ^s nachts — De liefde vergaat somtijds — Gisteren werkte
hij — Heden rusten zij — Zij praatte onderwijl — Hij heeft altijd
gelogen — Zij zal immer liegen — De goede vrouw sprak nog-
maals — Hij komt wellicht — De koning komt voorzeker — Komen
zij 's morgens? —Is hij onverwachts gekomen?
8. Een zelfst. naam w. met een voorzetsel als bepaling van het gez.
De landman werkt op het land — Die timmerman klom op het
dak — Dat knaapje sprong van den muur — Het zwarte hoen vlooij
over de haag — Het witte vischje spartelde in het water — Het rijpe»
koren golfde op den akker — Het vette vee dartelde in de weide —
ï)e schoone vruchtboomen bogen onder den last — Mijne zuster
woont in de stad — Uwe oudste broeder woont op het land — De
Kuiter stierf te Syracuse — Deze stad ligt op Sicilië — Sicilië ligt
in de Middellandsche Zee — Zij wonen in Amsterdam — Hij heeft
te Haarlem gewoond — Vertrek tegen den avond — Overleed hij
tegen den morgen?
9. Een voornaamw, met een voorz. als bep. v. h. gezegde.
Zij spreken over hem — Hij denkt aan mij — Men vertrouwt op
u — Zij zat bij ons —Mijne goede moeder zat naast hen — De
meester was nevens haar gezeten — Kom tot mij — Zij kwamen bij
haar — Hij was norsch tegen mij — De onderwijzer was vriendelijk
jegens u — Zij kwam zonder u — Do booze knaap wierp naar ons —
De trage jongen kwam na hem — Gij zijt vóór haar gekomen.
10. Een bijv. naamw, als bepaling van een deel van H gezegde.
Hij was een groot man — Zij bleven gelukkige menschen —