Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
heelmeester, der Wund'-
arzt, 1*.
heel uur slaan, die gan"ze
Stun'de schla"gen.
heen, hin; {weg:) fort.
heen en weer, hin und lier.
heer, der Herr, 5; (God;)
der Herr ; {in H kaart-
spel :) der Kö'nig, 1.
heerenknecht, der Bedien'-
te, 5.
heerlijk, herr'lich.
heerschappij, die Herr'-
schaft, 5.
heerschen, herr'schen.
heerschzuchtig,
die Herrsch'sucht.
heerschzuchtig, herrsch-
BÜch'tig.
heesch, hei'ser.
heester, der Strauch, 1*.
heet, heisa.
heeten, {heet maken:) hei'-
zen ; {genaamd zijn:)
hei'ssen. Ik heet Jan,
ich hei'fise Johann'.
heiblok, die Ram'me, 5,
der Ramm'block, 1*.
heide, die Hei'de.
heidendom, das Hei"den-
tum'.
heien, ram'men.
heil, das Heil.
Heiland, der Hei'land.
heilig, hei'lig.
I
de heiligen, die Hei'ligen.
heiligendag, der Fei'er-
tag, 1.
heilzaam, heil'sam.
heimelijk, heim'lich.
't heimwee hebben,
das Heim'weh ha'ben.
heining, die Umziiu'nung,
5.
hek, das Git'ter, 1; das
Gelän'der, 1.
hekelen, he'cheln; {fi-
guurlijk:) tadeln.
heks, die He'xe, 5.
heksenmeester, der He'-
xenmei'ster, 2.
hekserij, die Hexerei', 5.
hel, die Höl'le.
helaas, lei'deri; {als uit-
roep, zonder dat er iets
op volgt:) ach !
held, der Held, 5.
heldendicht, das Hel"den-
gedicht', 1.
helder, klar ; rein'lich.
heldhaftig, hel'denmütig;
hel'denhaft.
heldin, die Hel'din, 5.
heler, der Heh'ler, 2.
helft, die Hälfte, 5.
hellend, ü"berhän'gend.
helleveeg, die He'xe, 5.
de helm, der Helm, 1.