Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
gillen, laut aufschreien,
gel'len.
ginds{ch), dort; dor'tig.
het gindsche huis, das
Haus dort.
gips, der Gips,
giraffe, die Giraffe, 5.
( inuf'mass'lich.
op de gis, l i\\i(s Gerate-
( wohl'.
gissen, muf'ma'ssen; ra'-
ten.
gissing, die Muf'ma'-
ssung, 5.
gist, der Gäscht; die
He'fe.
gisten, gä'ren.
gisteren, ge'stern.
gitaar, die Guitar're, 5.
glaasje, das Gläs'chen, 2.
zwarte glacé-handschoenen,
schwar'ze Chevreau-
Hand"schu'he. Zie
Cahret.
glad, glatt.
glans, der Glanz.
glanzig, glän'zend.
glas, das Glas, 3*.
glibberig, schlüpfrig,
glit'scherig.
glijden, glit'schen, glei'-
ten.
glimlachen, lä'cheln.
glimmend, glän'zend,
gloeien, glü'hen.
glooiend, ab"schÜ8'sig.
glooiing, die Schra'ge, 5 ;
van bergen :) der Ab'-
hang, 1*.
glorie, die Glo'rie.
gluiper, der Schlei'cher,
2, der Duck"mau'ser, 2.
God, Gott.
goddeloos, gott'los.
goddelijk, gött'lich,
godsdienst, der Gof'tes-
diensf ; die Religion',
5.
goed, gut.
goederen, die Gü'ter, 3*.
goedertieren, barm"her'-
zig.
goedig, gü'tig.
golf (zeeboezem), der Golf,
1.
de golven, die Wel'len 5 ;
die Wo'gen, 5.
gom, das Gum'mi.
gommen, gummie'ren.
goochelaar, der Ta"8chen-
spie'ler, 2; der Gau'-
kler, 2.
goochelen, gau'keln.
gooien, wer'fen.
de goot, die Rin'ne, 5.
gordijn, die Gardi'ne, 5,
der Vor'hang, 1*.
gorgelen, gur'geln.
gort, die Grüt'ze.
goud, das Gold.