Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
drukken, (knellen:) dru'k-
ken; boeken drukken,
Bü"cher druc'ken.
drukker, der Druc'ker, 2.
drukkerij, die Druckerei',
5.
drukking (hooge of lage),
(ho'her o'der nie'dri-
ger) Druck.
drukte, die Bewe'gung, 5.
druppel, Zie droppel,
drijfveer, die Trieb"fe'der,
ö; (^fif.) der Beweg'-
grund, 1*.
drijf-ijs, das Treib'eis.
dubbel, dop'pelt.
dubbeltje, das Dop'pelt-
chen, 2, das Zweistü"-
berstück', 1.
dubieus, zwei"felbaft'.
duchtig, tüch'tig; (jig.)
schreck'lich.
duelleeren, duellie'ren.
duellist, der Duellant', 5.
duf, muffig.
duidelijk, klar.
duif, die Tau'be, 5.
duikelen, tau'meln,
duiker, der Tau'cher, 2.
duim, der Dau'men, 2;
(als maat:) der Zoll, 1*.
duimstok, das Mass.
duin, die Dü'ne, 5.
duister, dü'ster, dun'kel,
fin'ster.
duit, der Hel'ler, 2.
wat duivekater, der Daus !
der Teu'fel 1
duivel, der Teu'fel, 2.
duivelin, das Teu"fels-
mensch', 3.
duivelsch, teuflisch,
duivelsdrek, der Teu"fels-
dreck'.
duivenboon, die Tau"ben-
boh'ne, 5.
duivenpost, die Tau"ben-
post', 5.
duiventil,
der Tau"ben8chlag', 1.
I mir ist
duizelig, schwind'lig,
es wird mir
) schwind'lig.
eene duizeling, der
Schwin'del, 2; aan dui-
zeligheid lijdend, mit
dem Schwin'del be-
haftet.
duizend, tau'send.
duizendpoot, der Tau"-
sendfuss', 1*.
duizendschoon, das Tau"-
sendschön'chen, 2.
I dukaat, der Duka'ten, 2.
dukatengoud, das Duka'-
tengold'.
dulden, dul'den, ertra'-
gen.
dun, dünn.