Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
bevestiging, die Beja'hung,
5.
naar bevind van zaken,
nach Befin'den der
Sa'chen.
heving, die Be'bung, 5.
bevoegd, befugt'.
bevoegdheid, das Befug'-
nis, 1.
bevolking, die Bevöl'ke-
rung, 5.
bevoorrecht, bevor'zugt.
bevorderen, beför'dern.
bevordering,
die Beför'derung,
bevoi-derlijk aan,
beför'derlich (met da-
tief).
bevredigen, befrie'digen.
bevreesd voor, ban'ge vor.
bevriend, befreun'det.
bevriezen, frie'ren, erfrie'-
ren.
bevroren, befro'ren.
bevrijden, befrei'en.
bewaarschool, die Kin"-
deran'stalt, 5; die Be-
wahr"an'stalt, 5.
bewaarder, der Bewah'rer,
2. (fig.) der Wär'ter,
2.
bewaarheid, bewährt'.
bewaken, bewa'chen.
bewandelen, betre'ten.
bewaren, bewah'ren.
bewaring, die Bewah'-
rung, 5.
beweegreden,
der Beweg'grund, 1*.
beweenen, bewei'nen.
beweging, die Bewe'gung,
5.
bewering, die Behaup'-
tung, 5.
bewilligen, bewil'ligen.
bewimpelen, beschö'nigen.
bewind, die Regie'rung, 5.
bewolkt, bewolkt'.
bewonderen, bewun'dern.
bewondering,
die Bewun'derung, 5.
bewonen, bewoh'nen.
bewoner, der Bewoh'ner. 3.
bewoonbaar, bewohn'bar.
bewusteloos, bewusst'los.
bewustzijn, das Bewusst'-
sein.
bewijs, der Beweis', 1.
bewijzen, bewei'sen.
bezem, der Be'sen, 2.
bezig, beschäftigt.
bezigen, gebrau'chen.
bezigheid, die Beschäf-
tigung, 5.
: bezinksel, der Bo"densatz'.
j bezinning, die Besin'-
I nung.
bezit, der Besitz', 1.
bezocht (druk:) besucht'.
bezoek, der Besuch', 1.