Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
besteden, aus"ge'ben, ver-
wen'den.
bestekamer, das Kabinett',
1 ; der Ab'tritt, 1.
bestelen, besteh'len.
bestellen, bestel'len.
bestellingen op,
Besteï"lun'gen auf.
bestemd, bestimmt'.
bestemming,
die Bestim'mung, 5.
bestendig, bestän'dig.
bestraffen, bestra'fen.
bestrating, das Pfia'ster.
bestrijden, bestrei'ten.
bestiideeren, studie'ren.
besturen, füh'ren; ver-
wai'ten.
bestuur, die Verwal'tung,
5; gemeente-bestuur, der
Gemein"derat', 1*.
betaalbaar, zahl'bar.
betalen, bezah'len.
betaling, die Zab'lung, 5.
betamelijk,
gehö'rig; an"stän'dig.
beteekenen, bedeu'ten.
beteekenis, die Bedeu'-
tung, O.
beter, bes'ser.
beteugelen, bezwin'gen.
betichten, an"kla'gen, be-
schul'digen.
betoonen, bezei'gen.
betooveren, bezau'bern.
betrappen, ertap'pen.
betreden, betre'ten.
betreffen, betreffen.
betreffende, betreffend.
betrekkelijk, bezüg'lich.
betrekking, die Bezie'-
hung, 5.
betreuren, bedau'ern.
betreurenswaardig,
bedau"ernswert'.
betuiging, die Bezeu'gung,
5.
betwisten, strei"tig ma'-
chen.
betwijfelen, bezwei'feln.
beul, der Hen'ker, 2.
{fig.) der Pei'niger, 2.
beurs, die Bör'se, 5.
beursch, mür'be.
beursspel,
das Bör"8enspier, 1.
beurt, die Rei'he, 5.
beuzelarij, die Lapperei',
5.
bevallen, (behagen:)gefal'-
len ; (in de kraam ko-
men:) nie"derkom'men.
bevallig, rei'zend.
bevalling, die Nie"der-
kunft'.
bevel, der Belehl', 1.
bevelen, befeh'len
beven, be'ben.
bever, der Bi'ber, 2.
bevestigend, beja'hend.