Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
beginselloos, (fig.)
gewi8"senlo8'.
begluren, beguc'ken.
begraafplaats,
der Kirch'hof, 1*.
begrafenis,da.s Begräb'nis,
begraven, begra'ben. [1.
begrensd, begrenzt'.
begrip, der Begriff, 1;
een kort begrip, ein
kur'zer Begriff'.
begroeten, begrü'ssen.
begrijpen, begrei'fen.
behagen, gefal'ien.
behandeling,
die Behand'lung, 5.
behangselpapier,
die Papier"tape'te, 5.
behartigen,
zu Her"zen neh'men.
beheer, dÏQ Verwal'tungjö.
behendig, behen'de.
behept met, behaftet mit.
behoefte, das Bedürfnis, 1.
behoorlijk, gehö'rig.
behoud, die Erhal'tung,5.
behoudsman,
der Konservati've 5.
behulp, die Hii'fe, 5.
met behulp van,
mit Hii'fe von.
behuwdbroeder,
der Schwa'ger, 2*.
behuwdzuster,
die Schwä'gerin, 5.
beide, bei'de.
beitel, der Mei'ssel, 2.
bejaard, bejahrt'.
bejaardheid,
die Bejahrt'heit.
bejegenen, behan'deln.
bek, das Maul, 3*; {van
vogels:) der Schna'bel,
2*.
bekend, bekannt'.
een be- ) ein Bekann'ter.
kende, ^ derBekann'te,5.
bekennen, beken'nen; {in
't kaartspel:) Farbe be-
ken'nen.
bekentenis,
das Bekennt'nis, 1.
beker, der Be'cher, 2;
dobbelbeker, der VVür"-
felbe'cher, 2.
beklagen, bekla'gen; zich
beklagen over, sich be-
kla'gen über.
beknopt, kurz.
bekocht met, an"geführt'
mit.
bekoorlijk, rei'zend.
bekoorlijkheden,
die Rei'ze, 1.
bekrompen, beschränkt'.
bekronen, krö'nen.
bekwaam, gewandt'.
bekwaamheid,
die Gewandt'heit.
bekijken, bese'hen.