Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
afloop, (einde:)
der Ab'lauf, 1*.
afluisteren, ab"lau'schen.
afnemen, ab"neh'men ;
(in H kaartspel:) ab"he'-
ben.
de tafelafnemen,denTisch
ab'raumen.
de koorts neemt af, das
Fie'ber liisst nach.
den hoed afnemen, den
Hut ab"zie'hen.
afneuzen, ab"guc'ken.
afraden, ab"ra'ten.
afreis, die Ab"rei'se, 5,
afrekenen, ab"rech'nen.
afscheid nemen,
Ab"schied neh'men.
afscheidsbezoek, der Ab"-
schiedsbesuch', 1.
afschrijt, die Ab'scbrift, 5.
afschrikken, ab"schrek'-
ken.
afschuwelijk,
abscheu'lich.
afsnijden, ab"schnei'den.
afspraak,
die Verab"re'dung, 5.
afstammeling, der Nach"-
kömm'ling, 1; der Ab"-
kömm'ling, 1.
afstand, die Entfer'nung,
5.
aftrek hebben, gesucht'
sein.
aftroeven, trump'fen.
afvaart, der Ab'gang, 1*.
afvegen, ab"wi'schen.
afwachten, ab"war'ten.
afwasschen, ab"wa'schen.
afwezig, ab"we'8end.
afwezigheid,
die Ab"wesenheit', 5.
a,f2onderlijk, abson'der-
lich, beson'ders.
agent van politie,
der Polizei"die'ner, 2.
agentschap, die Agentur',
5.
ajuin, die Zwie'bel, 5.
akelig, schreck'lich.
akker, das Feld, 3.
akkerbouw, der Feld'bau.
alarmklok,
die Lärm"gloc'ke, 5.
albumblaadje, das
Stamm"buchblatt', 3*.
alledaagsch, aU"täg'lich.
alleen, allein'.
allengs, allmiib'lig.
allerheiligen, Allerhei'li-
gen.
allerlei, al'lerlei'.
allerzielen, Al'lersee'len.
alles, al'les.
almacht, die All'macht.
almanak,
der Kalen'der, 2'
alphabetisch, alphabe'-
tisch.