Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
er hahè^ hij hebbe.
wir haben, wij hebben.
ihr habet, gij hebbet.
8ie haben, zij hebben.
Volt. tegenw. tijd.
ich habe
du habest
er habe
wir haben
ihr habet
sie haben
<5,
r
17
er hätte, hij hadde.
wir hätten, wij hadden.
ihr hättet, gij haddet.
sie hätten, zij hadden.
Voltooid Verl. tijd.
ich hätte
du hättest
er hätte
wir hätten
ihr hättet
sie hätten.

Hulpwerkwoord: sein, zijn.
Onbepaalde wijs.
sein, zijn.
Deelwoorden.
Tegenwoordig: seiend, zijnde.
Verleden: gewesen, geweest.
Aantoonende wijs.
Onvolt. tegen w. t ij d. Onvoltooid ver 1. t ij d.
ich war, ik was.
dit, warst, gij waart.
er war, hij was.
wir waren, wij waren.
ihr wart, gij waart.
ich bin, ik ben.
du bist, gij zijt.
er ist, hij is.
wir sind, wij zijn.
ihr seid, gij zijt.
sie sind, zij zijn.
sie waren, zij waren.
Volt. tegen w. tijd. Voltooid v e r 1. tijd.
ich bin
du bist
er ist
wir sind
ihr seid
sie sind
ik ben
gij zijt
§ hij is
^ wij zijn
? PTij zijt
zij zijn
ich war
^ du warst
^ er war
S wir waren
r ihr wart
sie waren
ik was
^ gij waart
§ hij was
^ wij waren
? gij waart
zij waren
IQ
CV
^
Cb
<t>
CA
eh
D