Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'251
zwenken, schwen'ken.
zwenking, die Schwen'-
kung, 5.
zweren, (vloeken:) Bchviö'-
ren; (gaan etteren:)
schwii'ren.
zwerfster, die Herum"ir'-
rende, 5.
zwerk, das Firmament',
dasHim"melsgewöl'be.
zwerm, der Schwärm, 1*.
zwermen, schwär'men.
zwermer, (vxinrwerk:) die
Rake'te, 5.
zwerveling, d er Vaga b u n d',
5; der Herum"ir'rende,
5.
zwerven, umher"ir'ren.
zwervend, iimher"ir'rend.
zwetsen, gross"8pre'chen,
auf'schnei'den.
zwetsen op, prah'Ien mit.
zwetser, der Gros8"spre'-
cher,2,der Aufschnei'-
der, 2.
zwetserij, die Aufschnei-
derei", 5.
zweven, schwe'ben.
zwezerik, das Brös'chen, 2.
zwichten, wei'chen.
zwier, der Prunk, der
Schwvmg, die Gra'zie ;
aan den zwier zijn, im
Saus und Braus le'ben.
zwieren, hin und her
schwan'ken ; (fig.) im
Saus und Braus le'ben.
zwierig, präch'tig.
zwoegen, sich ab"ar"bei'-
ten; {hijgen:) keu'chen.
zwoel, schwül.
zwijgen, schwei'gen.
ieis zwijgen, etwas' ge-
heim"hal'ten.
tot zwijgen brengen, zum
Schwei"gen brin'gen.
de Zwijger, der
Verschwie'gene.
zwijm, die Ohn'macht.
wild zirijn, das wil'de
Schwein.
de zwijnenjacht, die
Schwein'jagd, 5; der
Sau'fang, 1*.
zij, sie.
wijd en zijd, weit und
breit, fern und nah.
zvjde, die Sei'te, 5 ;
{stoffage:) die Sei'de.
zijdelingsch, verdeckt'.
zijden (= van zijde), sei'-
den. [zucht'.
zijdeteelt, die Sei"den-
zijdewever, der
Sei"denwe'ber, 2.
zijdgeweer, das Sei"ten-
gewehr'. [3*.
zijgdoek, das Seich'tuch,
zijn, sein. [3*.
zijioorm,devSeVdenyvuYm,