Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'248
zonsondergang, der Son"-
nenun'tergang, 1*.
zonsopgang, der Öon"nen-
aufgang, 1*.
zonsverduistering, die
Son"nenfin'sternis, 1.
zoodanig, der'ar'tig.
zoodat, sodass.
zoogbroeder, der Milch"-
bru'der, 2*,
zoogdier, das Sau"getier',
i.
zoogen, sau'gen.
zotternij, ) dieNarr'heit,
zottigheid, ^ 5.
zottin, die Nar'rin, 5.
zout, das Salz, 1.
zouteloos, salz'los; (Jig.)
ah"geschmackt', fa'de.
zouten, sal'zen.
zouterisch, der Salz'fisch,
1.
zoutkeet, die Salz"ko'te, 5 ;
das Salz'werk, 1.
zoutpilaar, die Salz"sau'-
le, 5.
zoogenaamd, so'genannt. zoutvaatje, das Salz'fass,
zoogster, die Saug"am'me,
5.
zoölogisch, zoolo'gisch.
zoöloog, der Zoolog', 5.
zoom, der Saum, 1*.
zoomen, sau'men.
zoon, der Sohn, 1*.
zoon-^zoon,
der Soh'nessohn, 1*.
zootje, die Partie', 5.
zooveel, soviel'.
zoi-g, die Sor'ge, 5.
zorgeloos, sorg'los.
zorgen voor, sor'gen für.
zorglijk, sorg'lich, beun"-
ru'higend, beang'sti-
gend.
zorgvuldig, sorg'^fäTtig,
sorg'sam.
zot, när'risch.
de zot, der Narr, 5
zucht, der Seufzer, 2 ;
(ziekte:) die Sucht.
zuchten, seufzen.
zuchtig, süch'tig,
zuid, der Süden, der Süd.
zuidelijk, süd'lich.
zuidenwind, der Süd'-
wind, 1.
zuidoost, südost',
zuigeling, der Saug'ling,
i.
zuigen, sau'gen.
zuigglas, das Nutsch"-
känn'chen, 2.
zuiging, das Sau'gen ;
(fig.) der Luft'zug, der
Zug.
zuiglam, das Saug'lamm,
zuil, die Säu'le, 5.