Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'244
zeevischy der See'fisch, 1.
zeeziek, see'krank.
zefir, der Ze'phir, 1.
zegekar, der Sie"geswa'-
gen, 2.
zegel, das Sie'gel, 2; {ge-
zegeld blad papier:) der
Stem"pelbo'gen, 2.
zegelen, {papier;) stem'-
peln ; {een brief:) ver-
sie'goln.
zegelgeld, das Stem"pel-
geld'.
zegelkantoor,
das Stem"pelamt', 3*.
zegen, der Se'gen.
zegenen, seg'nen.
zegening, die Seg'nung, 5.
zegenwensch,
derSe"genswunsch',l*.
zegep>raal, der Sieg, 1.
zegepralen, sie'gen.
zegetocht, der Sie"geszug',
zegevieren, sie'gen.
zegevierend, triumphie'-
rend, sieg'reich.
zeggen, sa'gen.
zeggenskracht,
die Bered"samkeit'.
mijn zegsman is hij, ich
habe es von ihm.
noem mij uwe zegsvrouw,
sage mir von wem Sie
es haben.
zeil, das Se'gel, 2.
zeildoek,
das Se"geltuch'.
zeilen, se'geln.
zeilklaar, se"gelfer'tig.
zeilsteen, der Pol'stein, der
Magnet'.
zeis, die Sen'se, 5.
zeker, si'cher; gewiss'.
zekerheid,
die Si'cherheit'.
zelden, sel'ten.
zeldzaam, sel'ten ;
{zonderling:) selt'sam,
son'derbar.
zeldzaamheid, die Ser'ten-
heit' ; die Seltsam-
keit', 5, die Son'der-
barkeit', 5.
zelf, selbst; ik zelf, ich
selbst.
zelfbeheer sching,
"die Selbsf'beherr'-
schung ; {fig.) die Gei"-
stesge'genwart.
zelfde, näm^li'che.
zelfkant, das Sahl'band,
'die Sahl"lei'ste.
zelfmoord, der Selbst'-
mord, 1.
zelfmoordenaar,
der Selbsf'mor'der, 2.
zelfs, selbst, sogar'.
zelfstandig, selbst"stän'-
dig.