Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'243
zat, salt.
Zaterdag, der Sams'tag,
1 : der Sonn"a'bend, 1.
zebra, das Ze'bra.
zedeles, die Sif'tenpre'-
digt, 5 ; {Jig.) die Mo-
ral'.
zedeloos, sif'tenlos'.
zedeloosheid,
die Sif'tenlo'sigkeit.
zedelijk, sitt'lich.
zedelijkheid, die Sitt'lich-
keit.
zeden, die Sit'ten.
zedenkunde, die Sif'ten-
leh're.
zedenkundig, mora'lisch.
zedig, sitt'sam.
zedigheid, die Sitt"sam-
keit'.
zee, das Meer, 1.
zeebonk, der See'mann
{mrv.: See"leu'te).
zeedienst, der See'dienst.
zeef, das Sieb, 1.
zeegevecht, das See"ge-
iecht', 1.
zeegras, das Meer'gras.
zeehandel, der See"han'-
del.
zeekaart, die See"kar'te, 5.
zeekapitein,
der Mari"nekapitan', 1.
zeelt, die Schlei'e, 5.
zeemleder, das Sa"misch-
le'der; das Wasch"le'-
der.
zeemacht, die See'macht.
zeeman, der See'mann
{mrv.: See"leu'te).
zeeofficier, der See"offi-
zier', 1.
zeep, die Sei'fe.
zeepbel, die Sei"fenbla'se,
5.
zeeplaats, die See'stadt,
1*, das See'dorf, 3*.
zeepsop, das Sei"fenwas'-
ser.
zeepzieder,
der Sei"fensie'der, 2.
zeer, {bijzonder:) sehr ;
{pijnlijk:) web.
zeer doen, weh'tun.
zeeroover, der See"rau'-
ber, 2.
zeeroorerij,
die See"rauberei', 5.
zeeschuim, der Meer'-
schaum.
zeeschuimen,
See"rauberei' trei'ben.
zeeschuimer,
der See"rau'ber, 2.
zeestad, die See'stadt, 1*.
zeevaart, die See'fabrt.
zeevarend, zur See"fah'-
rend.
zeever, der Gei'fer.
zeeveren, gei'fern.