Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'216
ritten op, aus"zuset'zen
haben an, bekrit'teln.
ritter, der Kritt'ler, 2.
ritterig, kritt'lich.
ritterigheid, ) die Kritte-
vitterij, J lei', 5.
het vir at, das Hoch.
de vlaag, der An'fall, 1* ;
{regen- ;) die Schau'er, 5.
rlade, der Fla'den, 2.
liag, die Flag'ge 5; die
Fah'ne, 5.
vlaggedoel-, das Flag"gen-
tuch'.
vlaggen, üag'gen.
vlagofficier, der F)ag"gen-
offizier', 1.
rlak, flach.
het rlal-, die Flä'che, 5.
de rlak, der Flec'ken, 2.
de vlakte, die Flä'che, 5 ;
die E'bene, 5.
rlain, die Flam'me, 5;
vlam ratten, Feu'er fan'-
gen.
vlammen op, erpicht' sein
auf.
■vlas, der Flachs.
rlassen=(vanvlas), fläch'-
sen.
rlassen op, erpicht' sein
auf.
vlassig, üachs"ar'tig.
riecht, die Flech'te, 5.
vlechten, flech'ten.
vleermuis, die Fle"der-
maus', 1*.
rleesch, das Fleisch.
vleeschelijk, fleisch'lich.
vleeschhouiver, der Flei'-
scher, der Metz'ger.
vleeschmes, das Fleisch
ines'ser; (voorsnijmes:)
das Tranchier"mes'ser.
vleeschsoep, die Fleisch"-
sup'pe.
bij de vleet, in Men'ge.
vleezig, flei'schig.
vlegel, (dorsch-:) der Fle'-
gel, 2, der Dresch"fle'-
gel, 2; (fig) der Fle'-
gel, 2.
vleien, schmei'cheln.
vleierij, die Schmeiche-
lei'; 5.
■vlek, (rlak:) der Flec'ken,
2; (stadje:) der Flek'-
ken, 2.
vlekkeloos, flec"kenlos',
ma"kellos'.
vlekken, flec'ken.
, l der Flü'gel, 2.
vleugel, \ ® '
vlieden, flie'hen.
de vlieg, die Flie'ge, 5.
vliegen, flie'gen.
de vlieger, der Dra'che,
5.
vlier, der Flie'der, der
Holun"der.