Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
212
ten:) gerichtlich ver-
fol'gen; {Jcwellen, hin-
derlijk zijn:) verfol'-
gen.
vervolgens, darauf.
vervolging, die Verfol'-
gung.
vervreemden, entwen'den,
entfrem'den; (fig.) ver-
au'ssern.
vervullen, erfürien.
vervulling, die Erfüriung.
vericaand, ein"gebirdet.
verivaandheid, die Ein"-
bil'dung, 5.
zich verwaardigen, sich
herab"las'sen.
verivaarloozen, (;veronacht-
zamen:) vernach"läs'-
sigen; verwahrlosen.
vericaarloozing, 1) die
Vernach"las'sigung, 5.
■verwachten, erwar'ten.
verwachting, die Erwar'-
tung, ö.
verwant met, verwandt'
mit.
verwanten, die Verwand'-
ten.
verwantschap,
die Verwandt'schaft.
verward, verwirrt'.
■verwarmen, erwär'men.
verwa7'ming, die Erwär'-
mung.
verwarring, die Verwir'-
rung, 5.
verwedden, verwerten.
verweerd, verwit'tert.
verwelken, verwel'ken.
verwelkomen,
bewiir'komm'nen.
verwend, verwöhnt'.
verwenschen,
verwün'schen.
verwensching,
die Verwün'schung.
zich verweren, sich weh'-
ren.
verwerpen, verwer'fen.
verwerven, erwer'ben.
verwikkelingen,
Verwic"kelun'gen.
verwisselen, verwech'seln.
verwisseling,
die Verwech'selung, 5.
verwittigen, in Kennt'nis
set'zen; benach"rich'-
tigen.
verwittiging, die Benach"-
richtigung, 5.
verwoed, wü'tend.
verwoedheid, die Wut.
verwoesten, verwü'sten.
verwoesting, die Verwü'-
stung, 5.
verwonden, verwun'den.
verwonding, {wond:) die
Verwun'dung, 5.
verwonderd, verwun'dert.