Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'207
verongelijken, (ei'nem)
Un'recht tun.
verontrusten,
j beun"ru'higen.
verontschuldigen,
entschul'digen.
verontschuldiging,
die Entschul'digungjö.
verontwaardigd over,
entrü'stet ü'ber.
verontwaardiging, die
ISntrü'stung.
veroordeeld, verur'teilt.
veroordeelde, der (die)
Verur"teirte, 5.
veroordeelen, verur"tei'ien.
veroordeeling,
die Verur"tei'lung, 5.
veroorloven, erlau'ben.
veroorzaken,
verur"sa'chen.
zich verootmoedigen,
sich de'mü"tigen.
verorberen, auf'zeh'ren.
verordenen, verord'nen.
verordening, die Verord'-
nung, 5.
verouderd, veral'tet.
veroveraar, der Ero'berer,
2.
veroveren, ero'bern.
verovering,
die Ero'berung, 5.
verpanden, verpfan'den,
verset'zen.
verpesten, verpe'sten.
verpestend, verpe'stend.
verplaatsbaar, versetz'bar.
verplaatsen, verset'zen.
verplaatsing,
die Verset'zung, 5.
verplegen, verpfle'gen.
verpletteren, zerschmet'-
tern; zermal'men.
verplicht, verbun'den.
verplichten, verpflich'ten.
verplichtend, verbind'lich.
verplichting, die Verbind'-
lichkeit, 5; die Ver-
pfiich'tung, 5.
verraad, der Verrat'.
verraden, verra'ten.
verrader, der Verra'ter, 2.
verraderlijk, verrii'terisch.
verrassen, überra'schen.
verrassing,
die Überra'schung, 5.
verre, weit.
verrichten, verrich'ten.
verrichting,
die Verrich'tung, 5.
zich verroeren, sich bewe'-
gen.
verroest, verro'stet, ro'stig.
verroesten, ro'sten.
verruilen, vertau'scben;
tau'schen.
verrukkelijk, entzüc'kend.
verrukking, die Entziik'-
kung, 5.