Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'204
vergunnen, erlau'ben, ge-
stat'ten.
vergunning, die Erlaub'-
nis, 1.
verhaasten, beschleu'ni-
gen.
verhalen, erzäh'len.
verhelen, verheh'len.
verhemelte, der Gau'men.
verheugd over,
erfreut' ii'ber.
zich verheugen, sich freu'-
en.
verheven, erha'ben.
verhinderen, verhin'dern.
verhindering, die Verhin"-
derung.
verhoor, das Verhör', 1.
zich verhoovaardigen op,
sich brü'sten auf.
verhuizen, (naar een ander
huis:) um"zie'hen;
(naar een ander land:)
aus"wan'dern.
verhuizing, 1) der Um"zug;
2) die Aus"wan'derung.
verhuren, vermie'ten.
verjaardag, der Geburts"-
tag', 1; (van eene ge-
beurtenis :) der Jah"-
restag', 1.
verkeer, der Verkehr'.
verkeerd., verkehrt'.
verkeering, das Engage-
ment (spr.: an-Gaazj-
I ment'); die Bekannt"-
schaft'.
verkieslijk, vorzuzie'hen
(met datief); (flg.)
wün"schenswert'.
verkiezen boven, vor"zie'-
hen (met datief),
verklaarbaar, erklär'lich,
erklär'bar.
verklaren, erklä'ren.
verklaring, die Erklä'-
rung, 5.
verkleed, verklei'det.
verkleumd, vor Käl'te
erstarrt'.
verknocht, ganz erge'ben.
verknochtheid, die Erge'-
benheit.
verkocht, verkauft'.
verkondigen, verkün'den.
verkoop, der Verkauf.
verkoopen, verkau'fen.
verkooping, die Verkau'-
fung.
verkouden zijn,
den Schnup'fen ha'ben.
verkoudheid, der Schnup'-
fen.
verkrijgbaar, zu ha'ben.
verkrijgen, erhal'ten, be-
kom'men.
verkwikken, erfri'schen;
erquic'ken.
verkwikking,
die Erfri'schung, 5.