Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'203
verduwing, die Verdau'-
ung, 5.
verdwaald, ir"re gegan'-
gen.
verdwalen, sich verir'ren.
verdwijnen, verschwin'-
den.
verdwijning,
die Verschwin'dung.
vereenigd, verei'nigt, ver-
eint'.
vereenigen, verei'nen, ver-
ei'nigen.
vereeniging, der Verein',
1; die Verei'nigung, 5.
vereeren, vereh'ren.
vereeuwigen, vere'wigen.
vereffenen, aus"glei'chen.
vereischte, das Erfor'der-
nis, 1.
verf, die Par'be, 5.
verfoeilijk, ab"scheu'lich.
verfoeien, verab"scheu'en.
verfraaien, verschö'nern.
verfraaiing, die Verschö'-
nerung, 5.
verfrisschen, erfri'schen.
verfijnd, verfei'nert.
vergaan, verge'hen.
vergadering,
die Versamm'lung, 5.
vergaderzaal, der Ver-
sainm"lungssaal, 1*.
vergankelijk, vergäng'lich.
vergeeflijk, verzeih'lich.
vergeefs, verge'bens.
vergeefsch, vergeb'lich.
vergeiden, vergel'ten.
vergelijken, verglei'chen.
vergelijking, die Verglei'-
chung. 5.
vergen, for'dern.
vergenoegd, vergnügt'.
vergenoegdheid, die Zu-
frie'denheit; der Froh'-
sinn.
vergetelheid, die Verges'-
senheit.
vergeten, verges'sen.
vergeven, verzei'hen; (inet
vergif:) vergiften.
zieh vergewissen, sich ver-
gewis'sern.
vergieten, vergie'ssen.
vergif, das Gift, 1.
vergiftig, giftig.
vergiftiging, die Vergif-
tung, 5.
zieh vergissen, sich ir'ren.
vergissing, der Fehl'griff,
1; (ook:) der Irr'tum,
3*; der Feh'ler, 2.
vergoeden, vergü'ten ;
entschä'digen.
vergrooten, vergrö'ssern.
vergrijp, die Vergrei'fiing,
5; das Vergrei'fen.
verguld, vergol'det.
verguldsel, die Vergol'-
dung, 5.