Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'195
uiilandig, aus"wär'tig.
iemand uitlaten, ei'nen
aus"l!is'sen; beglei'ten.
zich uitlaten, sich aus"-
las'sen.
uitleggen, erklä'ren.
uitlegging,
5.
uitlekken, verlau'ten, be-
kannt' werden.
uitleveren, aus"lie'fern.
uitlevering, die Aus"lie'-
ferung, 5.
uitlokkend, an"loc'kend.
uitloven, aus"set'zen.
uitmaken, aus"ina'chen.
uitmaken voor, schel'ten.
uitmeten, aus"mes'sen.
uitmunten,
sich aus"zeich'nen.
uitmuntend,) ausge-
uitnernend, ^ zeich"net.
bij uitnemendheid, vor-
züg'lich.
uitnoodigen, ein"la'den.
uitnoodiging, die Ein"la'-
dung, 5.
uitoefenen, aus"ü'ben.
uitpakken, aus"pac'ken.
uitpluizen, aus"zup'fen;
(fig.) aus"klau'ben.
uitpoetser, der Aus"put'-
zer, 2.
uitputting, die Erschöp'-
fung, 5.
uitrafelen, aus"fa'sern.
uitreiken, ertei'Ien.
uitroep, der Aus'ruf, 1.
uitroepen, aus"ru'fen.
uitrusten, (rusten:) aus"-
ru'hen; {van alles voor-
zien:) aus"rü'sten.
uitscheiden, auf'hö'ren.
uitschelden, schel'ten.
uitschot, der Aus'schuss.
uitschrijven, ab"schrei'-
ben; aus'schrei'ben.
uitschuld, dieFor'derung,
5.
uitslag, (afioop:) das Er-
geb'nis; das Resultat';
{puistigheid:) der Aus'-
schlag.
uitsluitend, aus"schliess'-
lich.
uitsluitsel, die Erklii"-
rung, 5.
uitspanning, die Erho'-
lung, 5; {pleisterplaats
voor paarden:) die Stal'-
lung, 5.
uitsparen, bespa'ren.
uitspatting, {fig.) die
Aus"schwei'fung, 5.
uitspraak, die Aus"spra'-
che; {rechterlijke:) die
Entschei'dung, 5.
uitspreken, aus"spre'chen.
uitspuwen, au9"spei'en.
uitslaan, aus"ste'hen.