Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
193
tweeling dochter, die Zwil"-
lingstoch'ter, 2*.
j: tweelingen, ZwiT'lin'ge.
tweernen, zwir'nen.
twintig, zwan'zig.
twintigste, zwan'zigste.
tivintigtal die Zwan"zig-
zahl', 5.
twist, der Zank.
twisten, zan'ken.
twister, der Ziin'ker, 2.
twiststoker, der Un"ru'-
hestifter, 2.^
twistziek, zank"süch'tig.
twistzoeker, der Ziin'ker, 2.
twijfel, der Zwei'fel,
tmjfelachtig,iviei"{elhiift'.
twijfelen, zwei'feln.
twijnder, der Zwir'ner, 2.
twijnen, zwir'nen.
tij, die Flut.
tijd, die Zeit, 5.
tijdelijk, zeit'lich.
hij tijden, biswei'len.
tijdgeest, der Zeit'geist.
tijdig, zei'tig.
tijding, der Bericht', 1.
tijdperk, der Zeit'raum,
1*.
tijdrekenkunde,
die Chronologie'.
tijdsbestek, der Zeit'raum,
1*.
tijdsverloop, der Zeit"ver-
lauf.
tijger, der Ti'ger, 2.
tijgerin, die Ti'gerin, 5.
tijk, der Zwil'lich; die
Betf'zie'che, 5.
tijm, der Thy'mian.
type, die Ty'pe, 5.
ui, die Zwie'bel, 5 ;
_(ßg.) der Witz, 1.
uienrist, die Rei'he Zwie'-
bel.
uil, der Eu'le, 5.
uilespiegel,
der Eu"lenspie'gel.
uilskuiken, der Ein"falts-
pin'sel, 2.
een uiltje knappen,
ein Schläfchen tun.
uit, aus.
uitbarsting, der Aus'-
bruch, 1*.
uitbazuinen,
aus"posau'nen.
uitbeelden, ab"bil'den.
uitbetalen, aus"zah'len.
uitbetaling, die Aus"zah'-
lung, 5.
uitblijven, aus"blei'ben.
zich uitbreiden, sich aus"-
brei'ten.
uitbreiding, die Aus"brei'-
tung, 5.
uitbreken, aus"bre'chen.
uitbundig, aus"gelas'sen,
ü'berschwäng"lich.
12