Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'192
selaats:) die Kel'le, 5.
trijp, der Tripp.
tucht, die Zucht.
tuchthuis, das Zucht'haus,
3*.
tuchtigen, züch'tiajen.
tuchtiging, die Züch'ti-
gung, 5.
tuig, {voor paarden:) das
Geschirr'; {gemeen
volk:) der Pö'bel.
tuigage, das Tau'werk.
tuighuis, das Zeug'haus,
3*.
tuil, 1. der Strauss, 1*
2. die Lau'ne, 5.
tuiltje, das Sträuss'chen
2.
tuimelaar, der Taum'ler
2; {duif:) der Tümm'
Ier, 2.
tuimelen, tau'meln.
tuimeling, der Tau'mel, 2
tuin, der Gar'ten, 2*.
tuinboon, die gro'sse Bob'
ne, 5.
tuinhuis, die Gar"ten lau'
be, 5.
tuinier, der Gärt'ner,
het tuinieren, die Gärt
nerei'.
tuinkaner, das Gar"ten
zim'mer, 2.
tuinman, der Gärt'ner,
tuit, die Röhre, 5.
tuiten, sau'sen, klin'gen.
tuk op, begie'rig nach.
een tukje, ein Schläfchen.
tulhand, der Tur'ban, 1.
tulp, die Tufpe, 5.
tulpebol, die Tulpen-
zwiebel, 5.
tulpenhandel, der Tul"-
penhan'del.
tureluursch, toll.
turen naar, star'ren nach.
turf, der Torf, 1 en 1*.
turken, pla'gen, quä'len.
tusschen, zwi'schen.
tusschenpersoon, die Zwi"-
schenperson', 5.
in dien tusschentijd, in der
Zwischenzeit'; inzwi'-
schen.
twaalf, zwölf.
twaalfde, zwölfte,
twee,zwei; tweede, zwei'te.
het tweegevecht, der Zwei'-
kampf, 1*; dasDuell', 1.
tweeslachtig, beid"le'big.
tweesnijdend, zwei"-
schnei'dig.
tweesprong, der Schei'de-
weg', 1.
tweestemmig, zwei"stini'-
niig.
in tweestrijd, un"schlüs'-
sig.
tweetal, die Zwei'zahl.
tweeling, der Zwil'ling, 1.