Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'190
trap met den voet, der
Fuss'tritt, 1.
trappelen,
trap'peln, tram'peln.
trappen op, tre'ten auf.
tras, der Trass.
trawant, der Trabant', 5,
der Satellit', 5.
trechter, der Trich'ter, 2.
tred, (voetstap:) der Tritt,
1; (gayig;) der Gang,
1*.
treden, tre'ten.
treeft, der Drei'fuss, 1*.
de tref, der Treffer, 2.
treffen, (rahen-^) treffen.
treffend, 1. schla'gend;
2. rüh'rend, ergrei'fend.
irein, der Zug, 1*.
trek, (eetlust:) der Appe-
tit' ; (begeerte:) die Lust,
die Nei'gung, 5; (in '<
kaartspel:) der Stich, 1;
(tocht:) der Zug, der
Luft'zug; (gelaatstrek:)
der Zug, 1*.
in trek zijn, gesucht'sein.
trekdier, das Zug'tier, 1.
trekgeld, die Prä'niie, 5.
trekkast, das Treib"häus'-
chen, 2.
trekken, zie'hen.
trekpleister, das Zug"püa'-
ster, 2.
trekpot, der The3"topf, 1.
trekvaart, der Kanal', 1*.
trekvogel, der Zug"vo'gel,
2*.
trens, die Tren'se, 5.
treurdicht, das Trau"erge-
dicht', 1.
treuren, trau'ern.
treurig, trau'rig.
treurlied, das Trau"er-
lied', a.
treurmarsch, der Trau"er-
marsch', 1*.
treurspel, das Trau"er-
spiel', 1, die Tragö'die,
5.
treurspelspeelster, die
Tragö"dienspie'lerin, 5.
treurspelspeler, der
Tragö"diensi)ie'ler, 2.
treurtooneel, die tra'gische
Sce'ne, 5.
treurwilg, die Trau"er-
wei'de, 5.
trictac, das Trick'track.
trillen, zit'tern.
triller, der Tril'ler, 2.
trimester, das Quartal', 1.
triomf, der Triumph', 1.
triomfantelijk,
triumphie'rend.
triomfeeren,
triumphie'ren.
trippelen, trip'peln.
troebel, trü'be.
troef, der Trumpf, 1*.