Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'182
tegenwerken, entge'gen
wir'ken; (ooi;) entge'-
gen sein, zuwi'der sein.
tegenwerking, die Ge"gen-
wir'kung.
tegenwerpen, ein"wer'fen;
Ein'spruch erhe'ben.
tegenwerping, der Ein'-
wurf, 1*.
tegenwind, der Ge"gen-
wind'.
tegenwoordig, ge"genwiir'-
tig.
tegenwoordig zijn bij,
zuge'gen sein bei.
tegenwoordigheid, die Ge"-
genwart'.
tegenzin, der Wi"derwirie.
te goed hebben, zu gut'
haben.
tehuiszijn,z\i Hau'sesein.
te kort, {fig.) zu we'nig.
het tekort, das De"fizit'
{mrv.: -s of -e).
tekst, der Text, 1.
hij den tel, nach der Zahl.
in tel zijn, in An"se'hen
ste'hen.
ten laste leggen, ei'nem
etwas auf'bür'den.
telbaar, zahl'bar.
telegraaf, der Telegraph',
5.
telegrafist, der Telegra-
phist", 5.
telegram,dLas Telegramm",
1.
telegrapheeren, telegra-
phie'ren.
telegraphisch, telegra'-
phisch.
teleuj zie'hen ; man zieht
Blu'men, Gemü'se,
Pfer'de, Kii'he, u. s. w.
teleurstelling, die Tiiu'-
schung, 5; die Ent-
täu'schung, 5.
telescoop, der Teleskop',
1; das Pern'rohr, 1*.
telg, der Spröss'ling, 1.
ißZAens, je"desmar; je'den
Au'genblick'; allemal.
tellen, zäh'len; {fig.) ach'-
ten.
tem.baar, zähm'bar, zu
bän'digen.
temen, wim'mernjschlep'-
pend spre'chen.
temmen, zäh'men, bän'-
digen, zü'geln.
tempel, der Tem'pel, 2.
tempelier, der Tem'pler, 2.
temperament, das Tempe-
rament', 1; die Ge-
muts'art, ö.
temperatuur, die Tempe-
ratur', 5.
temperen, mä'ssigen.
tempo, das
Tem'po {mrv. -s).