Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'181
teertouw, das Teer'tau, 1.
tegel, der Zie'gel, 2.
tegelbakkerij, die Zie"gel-
brennerei', 5.
tegelijk, {dadelijk;) zu
glei'cher Zeit; {te za-
men;) zusam'men.
tegemoetkoming, die Ver-
gü'tung, 5 ; die Ent-
schii'digung, 5.
tegen, ge'gen.
tegenbedenking, der Ein'-
wurf, 1*, das Beden'-
ken, 2.
het tegendeel, das Ge"gen-
teil'.
integendeel, im Ge"gen-
teil'.
tegengaan, hin'dern, ver-
hin'dern; eene ongepast-
heid tegengaan, einem
Un'fug steu'ern.
tegengif, das Ge"gengift'.
tegenhanger, das Ge"gen-
stück'; der Pendant';
der Kontrast'.
tegenheden, die Wi"der-
war'tigkei"ten.
tegenhouden, zurück"har-
'ten.
tegenkomen, begeg'nen.
tegenloopen, zuwi"derlau'-
fen.
tegennatuurlijk, Viï'derna,-
'tür'lich.
tegenover, gegenü'ber.
tegenpartij, die Ge"gen-
partei'.
tegenpruttelen, wi"derbel-
fern ; muck'sen.
tegenschrift, die Ge"gen-
schrift'.
tegenslaan, miss'lin"gen.
tegenspoed, die Wi"der-
war'tigkeit.
tegensporrelen, sich wider-
set'zen.
tegenspraak, der Wi'der-
spruch.
tegenspreken, widerspre'-
chen.
tegenstaan, zuwi'der sein.
tegenstand, der Wi'der-
stand.
tegenstander, der Wi"der-
sa'cher, 2, der Geg'ner, 2.
tegenstreven, widerstre'-
ben.
tegenstribbelen,sich wider-
set'zen.
tegenstrijdig, widerspre'-
chend.
tegenstrijdigheid, der Wi'-
derspruch, 1*.
tegenvallen. Zie tegenslaan.
tegenvoeter, der Ge"gen-
füss'ler, 2; der Anti-
po'de, 5.
tegenweer, der Wi'der-
stand, die Ge"genwehr'.