Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
177
stijf, steif.
stijfkop, der Starr'kopf,
i*.
stijfsel, das Stärk'mehl,
die Stär'ke.
stijgen, stei'gen.
stijgbeugel, der Steig"bü'-
gel, 2.
stijl, (van hout, enz.:) die
Pfo'ste, 5 ; {trant:) der
Stil.
stijven, stär'ken, stei'fen.
subiet, plötz'lich.
subsidie, die Subsi'dien,
der Zu'schuss, 1*.
subsidieeren, mit Geld un-
terstüt'zen.
succes, der Erfolg', 1; {fig.)
das Glück.
suiker, der Zuc'ker.
suikerbakker, der Zuc"ker-
bäc'ker, 2.
suikeren, zuc'kern, mit
Zuc'ker bestreu'en.
suikergoed, das Zuc"ker-
werk', das Zuc'kerge-
iDäck'.
suikerraffinadeur, der
Zuc"kerrafïineur', 1.
suikerpot, der Zuc"ker-
topf, 1*.
suikerij, die Cicho'rie.
suikerzoet, zuc"kersüss'.
suizen, sau'sen.
suizing, das Sau'sen.
sujet {snaak:) dei Mensch,
'3.
sukade, die Sukka'de, 5.
sukkel, der Zau'derer, 2 ;
der Töl'pel, 2.
sukkelen, zau'dern ; krän'-
keln.
sul, der Tropf, 1* ; der
Ein"faltspin'sel, 2.
sulfer, der Schwe'fel.
suilen, glitschen, glei'ten.
sullig, ein"färtig.
sultan, der Sul'tan, 1.
supponeeren, voraus'set-
zen, vermu'ten.
sussen, stil'len.
suut, still !
syllabe, die Syl'be, b.
symboliek, symbo'lisch.
de symboliek, die Sym-
bolik'.
symbool, das Symbol', 1.
sympathie,
die Sympathie'.
symphonie, die Sympho-
nie', 5.
synagoge, die Synago'ge,
5.
synoniem, synony'misch.
het synoniem, das Syno-
nym', 1.
sijpelen, sic'kern ; {fig.)
tröp'feln ; träu'fein.
sijsje, der Zei'sig, 1.
systema, das System', 1.
12