Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
174
straatlantaarn, die Stra"-
ssenlater'ne, 5.
straatmaker, der Pfla'-
sterer, 2.
straatschenden, fre'chen
Muf'wirien treiben.
straatschenderij, der fre'-
che Muf'wil'Ie, 4.
straatslijpen, das Pfla'-
stertre'ten.
straatslijper, der Pfla"-
stertre'ter, 2.
straatsteen, der Pfla"ster-
stein', 1.
Mraattaal, die Pö"bel-
spra'che.
straatveger, der Stra"ssen-
fe'ger, 2.
straatverlichting, die Stra"-
ssenbeleuch'tung.
straatvolk, der Stra"ssen-
pö'bel.
Mraatvuil, der Stra"ssen-
kot'.
straatweg, die Land"-
stra'sse, 5.
straf, starlf; (fig.) streng.
de straf, die Ötra'fe, 5.
strafbaar, strafbar.
strafbepaling, das Straf-
gebot', 1.'
straffeloos, un"gestraft'.
straffen, stra'fen.
Mrajkolonie, die Straf-
kolonie', 5.
i strafschuldig,
straffäl'lig.
strafwet, das Strafgesetz',
1.
strak, steif, straff.
straks, 1. nachher', so-
gleich'; 2. vorhin', so
e'ben. Tot straks, bis
nachher', bis gleich'.
! stralen, strah'len.
stram, steif, stramm.
Strand, der Strand.
strandbewoner, der
Strand"bewoh'ner, 2.
stranden, stran'den.
strandvond, das Strand'-
gut.
strandvonderij,
das Strand"recht.
strategisch, strate'gisch.
Streek, {land:) das Land,
3*; {landstreek:) die
Ge'gend, 5; {list:) der
Streich, 1.
streelen, strei'chen ; {fig.)
schmei'cheln.
streep, der Streif, 5.
streken. Zie streek,
strekken, strec'ken;
strekken tot, die'nen zu.
strekking, die Tendenz'.
stremmen, gerin'nen;
{fig.) hin'dern.
stremsel, der Quark.
streng, streng.