Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
165
spendeeren aan, ver-
wen'den auf.
spenen, entwöh'nen.
sperwer, der Si)er'ber, 2.
speurhond, der Spür'-
hund, 1.
spiegel, der Spie'gel, 2.
zich spiegelen aan,
sich spie'geln an.
spiegelglas, (glas voor
spiegels;) das Spie"-
gelglas'; (glas van
eenen spiegel,-.) die
Spie"gelschei'be, 5.
spiegelramen, Spie"gel-
glas'fen"ster.
spier, der Mus'ltel, 4.
spiering, der Stint, 1.
spies, der Spiess, 1.
spikkel, der Spren'kel, 2.
spikkelen, spren'keln,
tüp'feln.
spil, die Spil'le, 5; die
Spin'del, 5; (fig.) der
Dreh'punkt, 1.
spilleheenen, die Storch"-
bei'ne, die Spin'del-
bei'ne.
spin, die Spin'ne, 5.
spinazie, der Spinat'.
spinhuis, das Spinn'haus,
3*.
spinmachine, die Spinn"-
maschi'ne, 5.
spinnen, spin'nen.
spinneweb, die Spinn"-
we'be, 5, das Spinn"-
gewe'be, 2.
spinsbek, der Tom'bak.
spion, der Spion', 1.
spionneeren, spionie'ren.
spiritus, der Spi'ritus.
spits, gespitzt'; spit'zig.
de spits, die Spit'ze, der
Gip'fel, 2 ; die Zin'ne,
5.
spitten, gra'ben.
spleet, der Si^alt, 1, die
Spalte, 5.
splint, das Geld.
splinter, der Split'ter, 2.
splijten, sparten.
spoed, die Ei'le.
spoeden, ei'len.
spoedig, (vlug :) schnell;
(weldra:) bald.
spoel, (wevers-:) die Spu-
le, 5.
spoelen, (op de spoel:)
spu'len ; (met water :)
spii'len; (als golven :)
flie'ssen.
spoeling, {voor varkens:)
das Spü'licht.
spoelkom, der Spül'napf,
1*.
spog, der Spei'chel.
spoken, spu'ken.
spokerij, die Spukerei', 5.
sponning, der Falz, 1.