Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
162
smook, der Rauch.
smoorlijk verliefd op, toll
verliebt' in.
smoren, erstic'ken; {in
de kookknnsi:) schnio'-
ren.
smullen, schmau'sen.
smulpartij, der Schmaus,
1*; die Schmauserei',
5.
smyjien, schmei'ssen.
snaak, der Pos'senrei'sser,
2 ; der lo'se Vo'gel, 2* ;
een rare snaak, ein son'-
derbarer Kauz'.
snaar, die Sai'te, 5;
{fig.) der Punkt, 1.
snakken naar, rin'gen
nach (Luft, Atem);
sieh seh'nen nach;
(ran doi^st:) lech'zen.
snappen, fan'gen; {fig.)
plaudern.
snaps, { pi-aats :) die
Schwätzerei', 5; {slok-
je :) der Schnapps, 1*.
sneetje hrood, das Schnitt-
chen Brot.
sneeihw, der Schnee.
sneeuwen, schnei'en.
sneeuwvlok, die Schnee"-
üoc'ke, 5.
snel, schnell.
snellen, ei'len.
snerken, brat'zeln.
snerpend, schnei'dend.
sneuvelen, fal'len, das
Le'ben las'sen.
sneven, ums Leben kom'-
men.
snik, der Schluch'zer, 2.
snikken, schluch'zen.
snip, (snep), die Schnep'-
fe, 5; {fig.) die He'xe, 5.
snippenjacht,dieSchnßip"-
fenjagd'.
snipper, das Schnit'zel, 2.
snoefster, die Auf'schnei'-
derin, 5; die Gross"-
spre'cherin, 5.
snoeien, beschnei'den;
g eld snoeien,Geld" siixk'-
ke kip'pen.
snoeimes, die Hip'pe, 5.
snoek, der Hecht, 1.
snoepen, na'schen.
snoeperijen, die Näsche-
rei'en.
snoer, die Schnur, 5 (enl*).
snoeven, auf'schnei'den,
gross"spre'chen; snoe-
ven op, sich rüh'men
{met genetief), prah'len
mit.
snoeverij, die Aufschnei-
derei'", 5, die Gross'-
sprecherei", 5.
snood, bos'haft, schnö'de.
snoodaard, der Bö'se-
wicht, 3.