Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
161
sIidmeren, sch 1 u in'inern.
sluimering, der Schlum'-
mer.
sluipen, schlei'chen.
sluis, die Schleu'se, 5.
sluisdeur, das Schleu"-
sentor', 1.
sluiten, (op slot doen:)
schlie'ssen; (dichtma-
ken zonder slot:) zu"-
ma'chen.
sluiting, die Schlie'ssung;
(slot:) das Schloss, 3*.
slurpen, schlür'fen.
sluiv, schlau, verschla'-
gen.
sluwerd,, der schlau'e Ka-
merad".
slijk, der Kot.
slijkbord, (aan rijtuigen:)
das Kot'blech.
slijkerig, ko'tig.
slijm, der Schleim.
slijmerig, schlei'mig.
slijmhoest, der Schleim"-
hu'sten.
slijpen, schlei'fen.
slijpsteen, der Schleif-
stein, 1.
slijtage, die Ab'nut'zung.
smaad, die Schmach.
smaak, der Geschmack'.
smachten naar,
sich seh'nen nach.
smaden, schmä'hen.
smak, der Fall, der Sturz.
sjnafceioos,geschmack'los.
smakelijk, schmack'haft.
smaken, schmec'ken,
mun'den.
smal, schmal.
smart, der Schmerz, 5.
smeden, schmie'den.
smeekbede, die fle'hentli-
che Bit'te, 5.
smeeken, üe'hen.
smeekschrift, die Bitt'-
schrirt, 5.
smeer, die Schmie're.
smeerlap, der Halun'ke,
5; der Schmier'lap-
pen, 2.
smeersel, die Sal'be, 5.
smelten, schmel'zen.
(ijzer)smelterij, die (Ei"-
sen)giesserei', 5; die
Ei'senhütte, 5.
smet, der Flec'ken, 2, der
Ma'kel, 2.
smeulen, glim'men.
smid, der Schmied, 1.
smidse, die Schmie'de, 5.
smoken, rau'chen.
smokkelaar,
der Schmug'gler, 2.
smokkelarij, die Schmug-
gelei', 5.
smokkelen, schmug'geln.
smokkelhandel, der
Schmug"gelhan'del.
11