Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
scherp, scharf.
scherpen, schär'fen.
scherts, der Scherz, 1.
schertsen, scher'zen.
schets, die Skiz'ze, 5.
schetsen, skizzie'ren;
ifig.) ma'len.
schetteren, schal'len.
scheur, die Rit'ze, 5, der
Ritz, 1.
scheuren, rei'ssen, auf"-
rei'ssen.
scheut, der Schöss'ling,
1.
scheutig, frei'ge'big.
niet scheutig, zä'he.
schichtig, scheu.
schielijk, ha'stig.
schier, bei"na'he.
schieten, schie'ssen.
schietgebedje, das Stoss"-
gebet', i.
schietgeweer, die Feu"er-
waf'fe, 5, das Schiess"-
gewehr', 1.
schietkatoen, die Schiess"-
baum'wolle.
schietlood, die Blei'wage.
schiften, (hotten;) geste'-
II hen ; {uitzoeken :) aus"-
su'chen.
schik hebben,
Vergnü'gen ha'ben.
in zijn schik zijn met of
over, sehr zufrie'den
sein mit; entzückt sein
ü'ber.
schikkelijk, leid'lich; {van
menschen:) red'lich.
schikken, in Ord'nung
brin'gen ; {ook:) sich
schic'ken.
schikking, der Vergleich',
1.
schil, die Scha'le, 5.
schild, der Schild, 1; das
Schild, 3.
schilder, der Ma'ler, 2;
{verver:) der An"strei'-
cher, 2.
schilderen, ma'len; {ver-
ven :) an"strei'chen;
{op schildwacht staan:)
schil'dern.
schilderij, das Gemäl'de,
2.
schilfer, die Schup'pe, 5;
der Split'ter, 2.
schilferen, schup'pen;
{ook:) sich schup'pen.
schillen, ab"schä'len.
schim, der Schat'ten.
schimmel, {op brood enz.:)
der Schim'mel; {op
vloeistoffen:) der Kahm.
schimmel, {paard:) der
Schim'mel, 2.
schimpen op, schimp'fen
auf.
schip, das Schiff, 1.