Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
152
scheidsmuur, die Schei'-
demau'er, 5.
scheidsrechter,
der Schieds"rich'ter, 2.
scheikunde, die Chemie'.
scheikundig, che'misch.
scheikundige, der Che'-
miker, 2.
schel, laut, hell.
de schel, die Schel'le, 5,
die Klin'gel, 5.
schelden, schimp'fen.
scheldnaam,der SchimTpf"-
na'me, 4 der Spotf'na'-
me, 4, der Spitz"na'-
me, 4.
scheldwoord,
das Schimpfwort, 3*.
schelen, feh'len.
schellen, schel'len, klin'-
geln.
schelvisch, der Schell'-
fisch.
schelm, der Schelm, 1.
schelmerij, die Schelme-
rei', 5.
schelp, die Mu'schel, 5.
schelpvisch, das Schal'-
tier, 1.
schemering, die Däm'me-
rung.
schenden, verlet'zen;
(overtreden:) übertre'-
ten; (belasteren:) ver-
leum'den.
schendtong, der Verleum'-
der, 2 ; die Verleum'-
derin, 5.
schenkel, die Schen'kel,
2.
schenken, schen'ken.
schenking, die Schen'-
kung, 5.
schennis, die Verlet'zung,
5.
schepel, der Scheffel, 2.
schepeling, der SchifFs'-
mann (mrv.: -leu'te).
scheppen, (in het aanzijn
brengen .•) schaffen; (op-
scheppen, ophalen :)
schöp'fen.
schepper, der Schöp'fer, 2.'
schepping, die Schöp'-
fung.
schepsel, das Geschöpf, 1.
schepter, das Zep'ter, 2.
scheren, (den baard:) ra-
sie'ren ; (schapen:)
sche'ren.
scherm, der Schirm ;
(tooneelgordijn:) der
Vor'hang, 1*.
schermen, fech'ten.
schermmeester, derFecht"-
mei'ster, 2.
schermutselen, scharmüt'-
zeln.
schermutseling,
das Scharmüt'zel.