Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
rul, dürr, loc'ker; rul ijs,
das hol'perige Eis.
rura, der Rum.
rumoer, der Rumor', der
Lärm.
run, {bij looiers:) die Lo'he,
die Ger"berlo'he.
rund, das Rind, 3.
runderen, die Rin'der.
runderpest, die Rin"der-
pest', die Vieh'seu'che.
runderrib, die Rinds'rip-
pe, 5.
rundvee, das Rind'vieh.
rundvleesch, das Rind'-
fleisch.
rups, die Rau'pe, 5.
nist, die Ru'he.
rustdag, der Ru'hetag, 1,
der Fei"ertag', 1.
rusteloos, un"ru'hig, rast-
los.
rusten, ru'hen.
rustig, ru'hig.
rustpunt, der Ru'hepunkt,
1.
ruw, roh.
ruzie, der Zank, der Zwist.
ruzie zoeken met. Streit
su'chen mit.
rij, die Rei'he, 5.
rijden, {tepaard:) rei'ten;
{in rijtuig:) fah'ren.
rijgen, {aaneen:) rei'hen;
{dicht:) schnü'ren.
rijglaarsje,
der Schnür"stie'fel, 2.
rijk, reich.
het rijk, das Reich, 1.
rijkaard, der Rei'che, 5.
rijkdom, der Reich'tum,
3*.
rijkelijk, reich'lich.
de rijke lieden, die rei'-
chen Leu'te.
rijksbelasting, die Staats"-
steu'er, 5.
rijksdaalder, der Reichs"-
ta'ler, 2.
rijksdag, der Reichs'tng,
1.
rijksontvanger, der Ein"-
neh'mer (2) der Staats"-
steu'ern.
rijkunst, die Reit'kunst.
het rijm, der Reim, 1.
rijmelaar, der Rei'mer, 2,
der Reim'schmied, 1.
rijmen, rei'men.
rijmpje, das Reim'chen.
Rijnvaart, die Rhein"-
fahrt.
rijp, {in rijpheid:) reif;
{nachtvorst:) der Reif.
rijpelijk, reiflich.
rijpen, (nachtvorst zetten'^)
rei'fen; {rijp worden'!)
rei'fen.
rijschool,
die Reif'schu'le.