Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
pracliach, prak'tisch.
praeses, der Präsident', 5.
praklüijn, der Sach"wal'-
ter, 2.
praktijk, die Pra'xis ;
(fig.) der Schlich, 1,
der Kunst'griff, 1.
praten, schwat'zen.
precies, gera'de.
predicatie, die Pre'digt, 5.
predikant, der Pas'tor
mrv.: Pasto'ren), der
Pfarrer, 2.
preek, die Pre'digt, 5.
preeken, pre'digen.
preekstoel, die Kan'zei, 5.
prei, der Porree' (Porrei').
prelaat, der Prälat', 5.
premie, die Prä'mie, 5.
prent, das Bild, 3.
prentenboek, das Bil"der-
buch', 3*.
preparatie/, die Vor"be-
rei'tung, 5.
prepareeren, 2:)räparie'ren,
present, an"we'send; zu-
ge'gen.
het present, das Geschenk',
presentabel, zeig'bar.
presenteeren, präsentie'-
ren.
presentie, die Ge'gen-
wart.
presideeren, präsidie'ren.
president, der Präsident',
5.
pressant,
drän'gend, drin'gend.
pret, das Vergnü'gen ;
(ook:) der Spas.s.
pretendeeren, behaup'ten.
te pretendeeren hebben, zu
for'dern ha'ben.
pretensie, (schuldvorde-
ring:) die For'derung,
5 ; (aanmatiging :) die
An"ma'ssung, 5.
pretext, der Vor'wand, 1*.
prettig, lu'stig.
prevelen, mur'meln.
prieeltje, die Lau'be, o.
priem, der Pfriem, 1.
priester, der Prie'ster, 2.
prikkel, der Sta'chel, 4;
(fig.) der Reiz, 1.
prikkelbaar, reiz'bar.
prikkelen, an"trei'ben,
sta'cheln; (fig^ rei'zen.
prikken, ste'chen.
pril, zart.
principaal, haupf'säch'-
lich.
de principaal, der Prinzi-
pal', 1.
principe, das Prinzip', 1.
prins, der Prinz, 5; (als
adellijke titel en in de
beteekenis van „vorst":)
der Fürst, 5.