Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
pimpelen, trinken, ze'-
chen.
pink, der klei'ne Fin'ger,
2.
pinksteren, die Pfing'sten,
da.s Pfingst'fest.
pinksterzondag, der
Pfingsf'sonn'tag.
pinsbek, der Tom'bak.
pion {schaakstuk;) der
Bau'er, 5.
pistool, die Pisto'le, 5.
pit {in vruchten:) der
Kern, 1; {eener lamp:)
der Docht, 1; (?7ier5f), das
Mark ; {fig.) der Geist.
plaag, die Pia'ge, 5.
plaat, die Plat'te, 5; {gra-
vure:) die Ab"birdung,
5. {Zie gravure blz. 80).
plaats, der Platz, 1*; der
Ort, 3*; die Sterie,5.
plaatsen {iets :) stel'len ;
{iemand :) un"terbrin'-
gen ; {geld :) placie'ren.
plafond, die Dec'ke.
pldfonneeren, plafonnie'-
ren.
plagen, pla'gen.
plak, {tuchtroe:) derPliit'-
zer, 2 ; onder de plak
staan, unter dem Pan-
toffel ste'hen; instren'-
ger Zucht gehal'ten
wer'den.
plakken, kle'ben, plak'-
ken.
plan, der Plan, 1*, das
Vor'haben, 2.
planeet, der Planet', 5.
plank, das Brett, 3, die
Die'le, 5, die Plan'ke,
5.
plant, die Pfian'ze.
plantage, die Pflan'zung,
5.
planten, pfian'zen.
plantsoen, die Anlage, 5.
plat, 1, platt, flach; 2,
nie'drig, gemein'.
plaveisel, das Pfla'ster.
plechtig, fei'erlich.
eene plechtigheid, die Fei"-
erlich'keit, 5.
pleegouders, die Ptle"-
geel'tern.
pleegvader, der Pfle"geva'-
ter, 2*.
pleet, das Platier'silber.
plegen, {gewoon zijn:) pfle'-
gen : {bedrijven:) verü-
ben.
het plein, der Platz, 1*.
pleister, das Pfla'ster, 2.
pleiten, pliidie'ren.
pleizier, das Vergnü'gen.
pleizierig, an"genehm'.
Inletten, plät'ten.
pleuris, die Pleuresie'.
' plicht, die Pflicht, 5.