Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
overbodig, ü"berfiüs'sig.
overdaad, das Ü"bermass'.
overdreven, übertrie'ben.
in het overdrevene, ü'ber
al'le Ma"ssen.
overdwars, ü'berzwerch";
quer'ü"ber.
overeenkomen, überein"-
kom'men, sich verstän-
digen.
overeenkomst, die Über-
ein"kunft', 1*.
overerfelijk, erb'Iich.
overgave, die Ü"berga'-
be.
overgrootouders die Ur"-
gross"ertern.
overhaast, übereilt',
de overheid, die 0"brig-
keit', 5.
overhoop, in Un"ord'nung.
overigens, ü'brigens.
overjas, der Ü"berrock',
1*; der Ü"berzie'her, 2.
overlast, die Ü"berlast'.
de overledene, der (die)
Verstor'bene, 5.
overleg, die Überle"gung.
overlevering, die Ü"ber-
lie'ferung, 5.
overluid, ü"berlaut'.
overlijden, ster'ben.
het overlijden, das Ver-
schei'den; bij overlijden,
beim To'de.
overmorgen, ü"bermor'-
gen.
overnachten, übernach'-
ten.
overreden, überre'den.
overreding, die Überre'-
dung.
overrompelen, überrum'-
peln.
overrijden, überfah'ren.
overschieten, ü"brig blei'-
ben.
overschot, der Ü"ber-
schuss', 1*.
overschrijven, ab"schrei'-
ben.
overslaan, überge'hen.
zich overspannen, sich
überspan'nen; sich
überniä"ssig an"stren'-
gen.
overspel, der E"hebruch'.
overstelpt, überla'den,
überhäuft'.
overstrooming, die Über-
strö'mung, 5; die Über-
schwim'mung, 5.
overtallig, ü"berzäh'lig.
overtocht, die Ü"berfahrt',
5,
overtollig, ü"berflüs'sig.
overtreden, übertre'ten.