Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
op, auf.
opcenten, die (Steu'er-)
Auf'la'gen.
opdisschen, auf'ti'sehen.
opeen, auf einan'der.
open, offen.
openbaar, öffentlich'.
openhaarheid, die Öffent-
lichkeit'.
openbaring, die Offen ba'-
rung, 5.
openbreken, aufbre'-
chen.
opendoen, aufma'chen.
openen, öffnen.
openhartig, offen her'zig.
opera, die O'per, 5.
opgetogen, entzückt'; au'-
sser sich.
opgetogenheid, die Ent-
züc'kung, 5.
opgewonden, aufgeregt;
ik heb mijn horloge op-
gewonden, ich habe
meine Uhr aufgezo'-
gen.
ophef, veel ophef maken
van, viel Auf'he'bens,
viel We'sens ma'chen
von.
ophemelen, aufhim'meln;
ü'berschwäng"lich lo'-
ben.
ophouden, aufhö'ren.
opkom8t,das Empor"kom'-
men; (van zon en maan:)
der Aufgang
opleiding, die Heran'bil-
dung; die Erzie'hung.
oplichter, der Gau'ner, 2.
oplichterij, die Gaunerei',
5.
opmerkelijk, bemer'kens-
wert'.
opmerkzaam, aufmerk'-
sam.
oponthoud, der Aufent-
halt'.
opoffering, die Auf op'fe-
rung, 5.
oppassen, (zich gedragen:)
sich auffüh'ren; (een i
hoed oppassen:) einen it
Hut aufpas'sen ; (een c
zieke oppassen:) einen ê
Kran'ken war'ten, i!
pfle'gen. L
oppasser, der Aufwär'-
ter, 2; der Bedien"te, ;
5; (bij soldaten:) der s
Bur'sche, 5; (bij stu- t
denten:) der Ötie"fel- '
fuchs', 1*.
opperman,
der Hand"lan'ger, 2.
oprecht, auf rich'tig.
oprisping, das Aufsto'- •
ssen, das Rülp'sen; der i
Rülps, 1.
oproer, der Aut'ruhr. P