Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ill
maandgeld, das Mo"nats-
geld' 3.
maanlicht, das Mond'-
licht.
maar, a'her.
Maart, der März.
Maartsche buien,
das Aprir'wet'ter.
maat, das Mass. 1.
de maatachai)i>ij,
die Gesell'schaft.
maatstaf, der Mass'stab,
1*, die Mass"ga'be.
machinaal, maschi"nen-
mä'ssig.
machine, die Maschi'ne, 5.
machinist, der Masclii-
nist, 5.
macht, die Macht, 1*.
machteloos, inacht'los.
machtig, mäch'tig.
machtigen, bevoll"mäch'-
tigen.
machtiging, die Bevoll"-
mäch'tigung, 5.
ma^oniek, Frei"mau'rer-.
madeliefje, das Mass"lieb'-
chen, 2; die Gän"-
seblu'me, 5.
magazijn, das Magazin',
1.
mager, ma'ger.
magneet, der Magnet', 1
en 5.
magnetisch, magne'tisch.
magnetiseeren, magneti-
sie'ren.
magnetiseur, der Magne-
tiseur' {mrv.: -s).
magnetismus, der Magne-
tis'mus.
Mahomedaan, der Mo'-
hamnieda'ner, 2.
mahomedaansch,mo'ha.m-
meda'nisch,
mahonie, niahago'ni.
maïs, der Mais.
majesteit, die Majestät', 5.
majoor, der Major', 1.
mak, zahm.
makelaar, der Mäk'ler, 2.
makelaardij, der Mäk"ier-
lohn', 1*.
maken, ma'chen.
makker, der Kamerad', 5.
makreel, die Makre'le,
5.
mal, tö'richt.
malen, 1 {fijn-:) mah'ien;
(fig.) 2 pla'gen; 3 ma'-
len.
maisch, weich; lec'ker;
saftig.
mama, die Ma'ma {mrv :-s)
man, der Mann, 3*.
manchette, die Manschet'-
te, 5.
mand, der Korb, 1*.
manege, die Reif'schu'le.
manen, mah'nen.