Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
lijder, der Patient, 5.
(spr.: ))a-sjent').
lijderes, die Patientin, 5.
(spr.: pa-sjen'-tin).
lijdzaam, gelas'sen; leid'-
sam.
lijf, der Körper, 2.
lijfje, das Leibchen, 2.
lijfrente, die Leib"ren'te,
5.
lijfsdwang, der Personal'-
arrest', 1; die Verhaf-
tung, 5.
lijfsgevaar, die Lébens-
gefahr'.
lijfstraffelijk wetboek,
das Strafgesetz'buch.
3*.
lijfwacht, die Leib"wa'-
che, 5.
lijk, die Lei'che, 5.
lijkdienst, die Lei"chen-
fei'er.
lijken, (schijnen:) schei-
nen ; (aanstaan:) gefal'-
len ; (gelijken;) ähn'lich
se'hen; glei'chen.
lijkkleed, das Lei'chen-
' tuch, 3*.
lijkstoet, das Lei'chen-
begäng'nis, '2.
lijkwagen, der Lei'chen-
wa'gen, 2.
lijkzang, der Lei'chenge-
■ sang', 1*.
lijm, der Leim.
lijmen, lei'men.
lijn, die Li'nie, 5.
lijnzaad, der Lein"sa'men.
lijst (naamlijst:) die Li'-
ste, 5 ; (omlijsting:) der
Ra h'men, 2.
lijster, die Dros'sel, 5.
lijvig, gross; dick;
schwer.
maag, der Ma'gen, 2.
maagbitter, das Ma"gen-
elix'ir.
maagpijn, der Ma"gen-
krampf, 1*.
maagd, die Jung"frau, 5.
maagdelijk, jung"frau'-
lich.
maaien, mii'hen.
maaier, der Mii'her, 2.
maakloon, der Ma'cher-
lohn, 1*.
maaksel, die Ar'beit, 5;
das Werk.
maal, (maaltijd:)
das Mahl, 1 (en 3*).
drie maal, drei'mal.
maaltijd, die Mahl'zeit, 5.
maan, der Mond, 1.
maanbrief, der Mahn'-
brief, 1.
Maandag, der Mon'tag, 1.
maandelijks(ch). mo'nat-
lich.