Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
de knap, der Knall, 1 ;
der Knick, 1.
knecht, der Die'ner, 2; der
Bedien'te, 5.
kneden, kne'ten.
kneep, der Kniff, 1.
knellen, drüc'ken.
kneuzen, quet'schen.
knevel, der Schnurr'bart,
1*.
knibbelen, feil'schen.
knie, das Knie, 1.
knielen, knie'en.
knikken, nic'ken.
knipje, die Spring"fe'der-
bör"se, 5, die Bör'se, 5.
knipmes, das Ein"le"ge-
mes'ser, 2, das Ta"-
schenmes'ser, 2.
knippen, schnei'den.
knoeien, pfu'schen.
knoeier, der Pfu'scher, 2.
knokkel, der Knö'chel,
2.
knol, {gewas ;) die wei'sse
Rübe, 5 ; {oud paard :)
die Schind"inäh're, 5;
die Krac'ke, 5.
knoop, der Knopf, 1*;
der Kno'ten, 2.
knoopsgat, das Knopf-
loch, 3* {mrv.: Knopf-
lö'cher).
knop, der Knopf, 1* ; die
Knos'pe, 5.
knorren,
{als varkens:) grun'zen;
{op iemand:) schel'ten.
knuppel, der Knüt'tel, 2.
knijpen, knei'fen.
koddig, spass'haft.
koe, die Kuh, 1*.
koek, der Ku'chen, 2.
koekenbakker, der Ku"-
chenbiic'ker, 2; der
Kondi'tor, 4.
koekenpan, die Ku'chen-
pfan'ne, 5.
koekoek, der Kuc'kuck, 1.
koel, kühl.
koelbloedig, kalf'blü'tig.
koepel, {dak:) die Kup'pel,
5; {tuinhuis:) das Gar"-
tenhaus', 3*.
koerier, der Kurier', 1.
koers, {loop:) der Lauf,
1* ; {gangbaarheid:) der
Kurs, 1.
koest, kusch 1 still!
koesteren, verziir'teln;
ifia-) he'gen.
koets, die Kut'sche, 5.
koetshuis, das Kuf'schen-
haus', 3*.
koetsier, der Kut'scher, 2.
kof {schip:) das Koff-
schiff, 1.
koffer, der Koffer, 2.
koffie, der Kaffee.
kogel, die Ku'gel, 5.